wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Lichaam 1,2 en 3

Total questions: 15

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

de schouder

a)
b)
c)
2.

de pink

a)
b)
c)
3.

Waar zit je enkel?

a)

tussen je nek en je arm

b)

tussen je knie en je voet

c)

tussen je schouder en je hand

4.

de kuit

a)
b)
c)
5.

Welke woord is een werkwoord (doe woord)

a)

het lichaam

b)

niezen

c)

de vinger

6.

Welke woord is een zelfstandig naamwoord?

a)

Hoesten

b)

De huisarts

c)

Niezen

7.

Naar deze dokter ga je als eerste als je ziek bent

a)

de apotheek

b)

de huisarts

c)

het medicijn

8.

Wat zeg je tegen iemand die ziek is?

a)

Succes

b)

Welterusten

c)

Beterschap

d)

Smakelijk eten

9.

Wat kun je bij de apotheek kopen?

a)

fruit

b)

medicijnen

c)

schoenen

10.

Een lichaam

a)

twee lichaams

b)

twee lichaamen

c)

twee lichamen

11.

Wat is er aan de hand?

a)

Ik heb pijn in mijn rug.

b)

Ik wil graag eten kopen.

c)

Ik ben Hilde.

d)

Ik heb vijf vingers.

12.

Het bot

a)
b)
c)
d)
13.

Alle botten bij elkaar

a)

de zalf

b)

het skelet

c)

het lichaam

d)

de nek

14.

Als mijn oog pijn doet, doe ik dit in mijn oog.

a)

de pil

b)

de zalf

c)

de druppel

15.

Welke vraag is goed? (doet + wie+ waar?)

a)

Gaat de man naar de apotheek?

b)

De man gaat naar de apotheek?

c)

De apotheek gaat de man?