wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

leerstof toetsweek

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Hoe start je de leesmotor bij jezelf?

a)

Door teksten te lezen die je interessant vindt

b)

Door juist moeilijke teksten te lezen

c)

door te beginnen met een makkelijke tekst

d)

Door teksten te lezen die passen bij jouw leesniveau

2.

Welk antwoord hoort niet bij het tekstgeraamte?

a)

het middenstuk

b)

de titel

c)

begin van de alinea

d)

inleiding

3.

wat is het doel van scannend lezen?

a)

je zoekt naar een geschikte tekst of bepaalde informatie.

b)

je wilt weten of het waar is wat je leest en of jij het met de tekst eens bent.

c)

je wilt snel weten waar een tekst over gaat en of hij interessant is om verder te lezen.

d)

gewoon lekker lezen.

4.

Wat is een hoofgedachte?

a)

De gedachte die de hoofdpersoon van een tekst heeft.

b)

De gedachte die een schrijver van een tekst heeft.

c)

Vertelt in een zin wat het belangrijkst is dat over het onderwerp wordt verteld.

d)

Vertelt in een zin de gedachte die mensen hebben over het onderwerp

5.

Wat is de juiste definitie van tegenstellend verband?

a)

Geeft aan dat er een aantal dingen achter elkaar genoemd worden

b)

geeft aan dat er een aantal dingen genoemd worden die tegenovergesteld aan elkaar zijn.

c)

geeft extra informatie bij een onderwerp.

d)

Beschrijft een oorzaak en gevolg.

6.

Wat is de juiste definitie van toelichtend verband?

a)

Geeft extra informatie bij een onderwerp.

b)

Er wordt een conclusie getrokken.

c)

Geeft een reden van of voor iets.

d)

Geeft aan dat er een aantal dingen genoemd worden die tegenovergesteld zijn aan elkaar.

7.

Wat is het juiste verschil tussen een feit en een mening

a)

Een mening is altijd waar een feit niet.

b)

Een mening kan je altijd controleren bij die persoon, een feit niet.

c)

Een feit kun je altijd controleren.

8.

Wat is de juiste definitie van het tekstdoel instrueren?

a)

De schrijver geeft informatie.

b)

De schrijver wil de lezer overtuigen.

c)

De schrijver wil de lezer vermaken.

d)

De schrijver legt stap voor stap uit hoe je iets doet in een instructie.

9.

Wat is het eerste vakje van de leesmotor? (Je leest de leesmotor van beneden naar boven.)

a)

voorkennis

b)

woordkennis

c)

beter lezen

d)

beter in bijna alle vakken.

10.

Wat betekent citeren?

a)

Iets in de tekst onderstrepen/markeren

b)

Letterlijk overschrijven wat er in de tekst staat.

c)

Een stuk uit de tekst voorlezen.

d)

Een kritische vraag stellen over de tekst.

11.

Welke omschrijving hoort bij chronologisch verband?

a)

Geeft aan dat er een aantal dingen achter elkaar genoemd worden.

b)

Geeft aan dat er een aantal dingen genoemd worden die tegenovergesteld zijn aan elkaar.

c)

Beschrijft een oorzaak en gevolg

d)

Geeft een tijdsvolgorde aan

12.

Bij welk tekstverband horen de signaalwoorden: maar, echter, hoewel.

a)

chronologisch verband

b)

opsommend verband

c)

toelichtend verband

d)

tegenstellend verband

13.

Bij welk tekstverband horen de signaalwoorden: doordat, dat komt door, dus.

a)

Chronologisch verband

b)

Tegenstellend verband

c)

Concluderend verband

d)

Oorzakelijk verband

14.

Welke bewering is waar over het onderwerp?

a)

Is altijd de titel van de tekst.

b)

Is altijd een hele zin waar de tekst over gaat.

c)

Is altijd een woord of een paar woorden waar de tekst over gaat.

d)

Staat altijd in de laatste regel van de tekst.