Font size
WorksheetsKlas 2 Chapitre 3 Phrases 3.10
Total questions: 15
Worksheet time: 9mins
Tu as passé. =
Ik heb doorgebracht.
Jij hebt doorgebracht.
Hij heeft doorgebracht.
Il a fait mauvais. =
Het is mooi weer.
Het was slecht weer.
Hij deed het slecht.
Qu'est-ce que vous avez fait? =
Wat hebben jullie gedaan?
Wat heb ik gedaan?
Wat heb jij gedaan?
J’habite aux Pays-Bas. =
Ik ben in Nederland.
Ik woon in Nederland.
Ik fiets in Nederland.
Les animaux domestiques sont admis. =
Huisdieren zijn toegestaan.
Huisdieren zijn niet toegestaan.
Huisdieren zijn soms toegestaan.
Huisdieren zijn nooit toegestaan.
Nous avons loué une maison dans un petit village près de la plage. =
We hebben een bungalow gehuurd in een klein dorp vlakbij het strand.
We hebben een huis gehuurd in een grote stad vlakbij het strand.
We hebben een huis gehuurd in een klein dorp vlakbij de zee.
We hebben een huis gehuurd in een klein dorp vlakbij het strand.
Même quand il pleut. =
(a)
J'ai éte en Maroc. =
(a)
Je suis en vacances en Normandie. =
Ik ben op vakantie in Noorwegen.
Ik ben op vakantie in Nederland.
Ik ben op vakantie in Normandië.
Welke vertaling hoort bij welk woord?
wij
huis
dorp
strand
Welke vertaling hoort bij welk woord?
veel
dingen
mijn
ik
Welke woord in de zin betekent : tijdens
Wat is de vertaling van het gekleurde woord in onderstaande zin? Qu'est-ce que vous avez fait?
gedaan
geweest
Wat is de vertaling van het gekleurde woord in onderstaande zin? J'ai participé.
doorgebracht
meegedaan
Wat is de vertaling van het gekleurde woord in onderstaande zin? Même quand il pleut.
zelfs
wanneer
