wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Controlevragen H1 Argumenteren

Total questions: 18

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Aan welke signaalwoorden herken je een standpunt? (kies er drie)

a)

want

b)

dus

c)

ik denk dat

d)

immers

e)

daarom

2.

Ik denk dat ik niet mee kan naar die wedstrijd. Dit is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

3.

Roken moet verboden worden. DIt is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

4.

Daarom denk ik dat een avondklok een goed idee zou zijn. Dit is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

5.

Ik weet nog niet of ik wel zo blij ben met die nieuwe manier van lesgeven. Dit is een...

a)

positief standpunt

b)

negatief standpunt

c)

twijfel standpunt

6.

Want moet er in de vakjes staan? (kies de twee juiste opties)

a)

Bij 1 moet standpunt, bij 2 moet argument

b)

Bij 1 moet argument, bij 2 moet standpunt

c)

Bij 3 moet want, bij 4 moet dus

d)

Bij 3 moet dus, bij 4 moet want

7.

Een weerlegging gaat in tegen het...

a)

standpunt

b)

argument

8.

Een tegenargument gaat in tegen het...

a)

standpunt

b)

argument

9.

Hij is immers veruit de beste in de debatten. Dit argument is...

a)

feitelijk

b)

waarderend

10.

Je wordt er toch beroerd van als je die berichten over ontgroeningen leest. Dit argument is...

a)

feitelijk

b)

waarderend

11.

Je loopt met een scooter een grotere kans op een ernstig ongeluk dan op een fiets. Dit argument is...

a)

feitelijk

b)

waarderend

12.

Een argument herken je o.a. aan de volgende signaalwoorden (kies twee opties)

a)

dus

b)

want

c)

immers

d)

kortom

13.

Als Jett Rebel volgend jaar optreedt op Lowlands gaan we zeker weer naar het festival. Vorige keer was hij immers ook top.

Nou, op Paaspop vond ik er niks aan.

De dikgedrukte zin is een...

a)

tegenargument

b)

weerlegging

14.

Je moet niet sporten met een lege maag. Het glucosegehalte in je bloed daalt namelijk en dan kan je zelfs flauwvallen.

Als ik vol zit, gaat het sporten juist een stuk minder.

De dikgedrukte zin is een

a)

tegenargument

b)

weerlegging

15.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

Politici zijn niet te vertrouwen: ze hebben immers allemaal hun eigen belangen vooropstaan. Ik ga dan ook niet meer stemmen bij de volgende verkiezingen. Bovendien ben ik dan op wereldreis.

a)

Politici zijn niet te vertrouwen.

b)

Ze hebben immers allemaal hun eigen belangen vooropstaan.

c)

Ik ga dan ook niet meer stemmen bij de volgende verkiezingen.

d)

Bovendien ben ik dan op wereldreis.

16.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

Ik zal niets meer zeggen over de slechte kwaliteit van oude langspeelplaten. Als het over geluidskwaliteit gaat, neem jij toch niets van mij aan.

a)

Ik zal niets meer zeggen over de slechte kwaliteit van oude langspeelplaten.

b)

Als het over geluidskwaliteit gaat, neem jij toch niets van mij aan.

17.

Wat is het standpunt in het volgende stukje?

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen, dus ik ga me daar niet tegen verzetten. Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten en het is dichtbij school.

a)

De meeste leerlingen van mijn klas willen nu eenmaal bowlen.

b)

Dus ik ga me daar niet tegen verzetten.

c)

Het is bovendien goedkoper dan paintballen en karten.

d)

Het is dichtbij school.

18.

Ik moet de volgende onderdelen nog even extra bestuderen

a)

Geen, ik begrijp alles goed genoeg.

b)

positieve, negatieve en twijfel standpunten

c)

Het standpunt en de argumenten uit elkaar halen (incl. signaalwoorden)

d)

Het verschil tussen een weerlegging en een tegenargument

e)

Feitelijke en waarderende argumenten