wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het bijwoord in de zin 'De jongen rende hard.'

a)

jongen

b)

hard

c)

rende

d)

de

2.

'Vruchteloos probeerden wij de opdracht te maken.' Is het woord 'vruchteloos' een:

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

bepaling

d)

voornaamwoord

3.

Ook later, was er iets dat ons ontsnapte. Welke functie heeft het woord 'later'

a)

vergrotende trap van laat

b)

bijwoord

c)

bepaling

d)

gezegde

4.

Benoem het bijwoord: 'Ik vind dat een heel rare uitleg'.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

5.

Benoem het bijwoord: 'We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.'

a)

verschrikkelijk

b)

mooie

c)

zagen

d)

vuurwerk

6.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

Hij is ziek.

a)

bijwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

werkwoord

d)

zelfstandig naamwoord

7.

Wat is de functie van het onderstreepte woord:

'Het gouden horloge van Stephan is gestolen.'

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

werkwoord

8.

Over welke woordsoort kunnen bijwoorden niets zeggen?

a)

werkwoord

b)

bijvoeglijk naamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

d)

lidwoord

9.

Waar of niet waar? Een bijvoeglijk naamwoord kan nooit alleen staan.

a)

Waar

b)

Niet waar

10.

Waar of niet waar? Een bijvoeglijk naamwoord kan je verbuigen, een bijwoord niet.

a)

Waar

b)

Niet waar

11.

Waar of niet waar? Bijwoorden zijn soms delen van werkwoorden?

a)

Waar

b)

Niet waar

12.

Waar of niet waar? Soms kan een vragend voornaamwoord ook een bijwoord zijn.

a)

Waar

b)

Niet waar

13.

Welke functie heeft het onderstreepte woord?

Morgen gaan we naar het zwembad.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

bijwoord

c)

aanwijzend voornaamwoord

d)

zelfstandig naamwoord

14.

Welke functie heeft het onderstreepte woord?

De leerkracht heeft hem nu drie keer gewaarschuwd.

a)

bijvoeglijk naamwoord

b)

telwoord

c)

bijwoord

d)

aanwijzend voornaamwoord

15.

Wat is de functie van het onderstreepte woord?

Kato heeft het versleten, blauwe jasje eindelijk weggegooid.

a)

zelfstandig naamwoord

b)

bijwoord

c)

bijvoeglijk naamwoord

d)

vragend voornaamwoord

16.

Benoem het bijwoord.

Zij bouwde een ontzettend groot gebouw.

a)

bouwde

b)

ontzettend

c)

groot

d)

gebouw

17.

Benoem het bijwoord.

Na de les mochten ze eindelijk hun telefoon gebruiken.

a)

Na

b)

eindelijk

c)

hun

d)

gebruiken

18.

Benoem de bijwoorden.

Achteraf weet ze dat ze beter had moeten oefenen.

a)

Achteraf, had

b)

ze, ze

c)

beter, oefenen

d)

Achteraf, beter

19.

Benoem de woordsoort.


Misschien ga ik morgen naar de bioscoop.

a)

Zelfstandig naamwoord (zn)

b)

Bijwoord (bw)

c)

Vragend voornaamwoord (vrag.vnw.)

20.

Benoem de woordsoort.


Sommige leerlingen hebben de vraag niet goed gelezen.

a)

Zelfstandig werkwoord (zww)

b)

Hulpwerkwoord (hww)

c)

Zelfstandig naamwoord (zn)