wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling Biologie klas 3 KB

Total questions: 30

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn de verschillen tussen plantencellen en cellen van schimmels?

a)

Planten hebben bladgroenkorrels

b)

Schimmels hebben celkernen

c)

Schimmels hebben geen celwand

d)

Planten hebben geen vacuole

2.

Wat is de juiste volgorde van klein naar groot?

a)

Orgaanstelsel, orgaan, weefsel, cel

b)

Orgaan, orgaanstelsel, cel, weefsel

c)

Weefsel, cel, orgaan, orgaanstelsel

d)

Cel, weefsel, orgaan, orgaanstelsel

3.

Waar komt een rolgewricht voor?

a)

Nummer 4 en 8

b)

Nummer 7

c)

Nummer 2, 3, 9, 10, 11

4.

Waar komen scharniergewrichten voor?

a)

Nummer 4, 8

b)

Nummer 7

c)

Nummer 2, 3, 9, 10, 11

5.

Welk onderdeel is de gewrichtskogel?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 7

d)

Nummer 6

6.

Hoe heet onderdeel 6?

a)

Knieschijf

b)

Dijbeen

c)

Kuitbeen

d)

Scheenbeen

7.

Welke spier of spieren spannen zich aan als de arm zich strekt?

a)

Onderdeel 7

b)

Onderdeel 8

c)

Onderdeel 9

d)

Onderdeel 8 en 9

8.

Aan welk onderdeel zitten de oogspieren vast?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 4

c)

Nummer 6

d)

Nummer 9

9.

Welk deel zorgt voor de voedsel en zuurstof voorziening?

a)

Nummer 5

b)

Nummer 6

c)

Nummer 10

d)

Nummer 11

10.

Wat is accommoderen?

a)

Het scherpstellen van de lens door plat te worden.

b)

Het scherpstellen van de lens door bol te worden

11.

Welk deel of delen zorgt of zorgen voor het omzetten van trillingen in impulsen?

a)

Nummer 4

b)

Nummer 11,12 en 13

c)

Nummer 7

d)

Nummer 9

12.

Welke deel of delen horen bij het centrale zenuwstelsel?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 1, 2 en 3

13.

Wat is het verschil tussen een hormoonklier en een gewone klier?

a)

Ze maken een product en geven dit af

b)

De bouw is anders, een gewone klier heeft een afvoerbuis.

c)

Een hormoon klier heeft een afvoerbuis

d)

Bloedvaatjes stromen naar de klieren toe

14.

Welke klier regelt de werking van de andere hormoonklieren?

a)

Nummer 1

b)

Nummer 2

c)

Nummer 3

d)

Nummer 4

15.

Welke klier maakt het enige hormoon wat snel werkt?

a)

Schildklier

b)

Bijnieren

c)

Alvleesklier

d)

Eierstokken

16.

Met welk nummer wordt de eileider aangegeven?

a)

Nummer 5

b)

Nummer 6

c)

Nummer 7

d)

Nummer 8

17.

Welke delen vervoeren sperma?

a)

Nummers 11, 12, 3 en 7

b)

Nummers 9, 15, 8 en 10

c)

Nummers 9, 15, 7

d)

Nummers 11, 12, 7

18.

Bevatten delen 2 en 9 alleen weefsel van het kind, alleen weefsel van de moeder of van beiden?

a)

Alleen weefsel van het kind

b)

Alleen weefsel van de moeder

c)

Zowel weefsel van het kind als weefsel van de moeder

19.

In de afbeelding is een stamboom de overerving van albinisme bij een gezin weergegeven. De ouders uit dit gezin krijgen krijgen een vierde kind. Hoe groot is de kans dat dit kind pigment heeft?

a)

25 %

b)

50 %

c)

75 %

d)

100 %

20.

Iemand, die in staat is zijn tong op te rollen is in het bezit van het gen R. Een persoon die zijn tong niet kan oprollen (rr) heeft twee zusters, die dit wel kunnen. Zijn beide ouders kunnen dit ook.


Welke genotypen van de ouders en de zusters zijn dan mogelijk?

a)

Ouders RR en Rr, zusters RR en/of Rr.

b)

Ouders Rr en Rr, zusters alleen RR

c)

Ouders RR en Rr, zusters alleen Rr.

d)

Ouders Rr en Rr, zusters RR en/of Rr.

21.

De ziekte van Huntington is een erfelijke aandoening die bepaalde delen van de hersenen aantast. Hieronder is van twee verschillende personen een chromosomenpaar afgebeeld. De genen die bepalen of iemand de ziekte van Huntington wel of niet heeft, zijn aangegeven met letters.


Is het gen voor de ziekte van Huntington dominant of recessief? Of is dit niet uit de gegevens op te maken?

a)

Het gen is dominant.

b)

Het gen is recessief.

c)

Dit is niet uit de gegevens op te maken.

22.

Krijgt een jongen het X-chromosoom van zijn vader of moeder?

En van wie heeft hij het Y-chromosoom gekregen?

a)

Het X-chromosoom kan alleen van zijn moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn vader.

b)

Het X-chromosoom kan alleen van zijn vader komen; het Y-chromosoom alleen van zijn moeder.

c)

Het X-chromosoom kan zowel van zijn vader als moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn vader.

d)

Het X-chromosoom kan zowel van zijn vader als moeder komen; het Y-chromosoom alleen van zijn moeder.

23.

Een fruitvlieg met een zwart lichaam wordt gekruist met een fruitvlieg met een grijs lichaam. Alle individuen van de F1 zijn grijs. Deze F1-individuen worden onderling gepaard.

Van de 113 individuen van de F2 zijn er 84 grijs en 29 zwart.


Hoeveel van de 84 grijze individuen van de F2 zullen er, naar verwachting, heterozygoot zijn?

a)

28

b)

42

c)

56

d)

alle 84

24.

Is dit karyogram (chromosoomportret) van een man of een vrouw?

a)

Man

b)

Vrouw

c)

Dat kun je niet zien

25.

Bij rundvee is zwartbont dominant over roodbont (zwartbont = Z en roodbont = z). Uit twee zwartbonte ouders ontstaat een roodbont kalf. Welke genotypes hebben de ouders dan?

a)

ZZ en ZZ

b)

Zz en Zz

c)

ZZ en zz

d)

Zz en ZZ

26.

Wat zijn mutagene stoffen?

a)

Sigarettenrook

b)

UV-licht

c)

Asbest

d)

Röntgenstraling

27.

Wat is natuurlijke selectie?

a)

De natuur selecteert de dieren die er het mooist uitzien.

b)

De natuur zorgt ervoor dat alleen de slimste dieren overleven.

c)

De natuur zorgt ervoor dat alleen de dieren met de beste overlevingskans overleven.

28.

In welk onderdeel groeit het embryo?

a)

Deel 6

b)

Deel 7

c)

Deel 8

d)

Deel 9

29.

Welk deel zorgt voor een erectie?

a)

Deel 6

b)

Deel 7

c)

Deel 8

d)

Deel 10

30.

De afbeelding hieronder geeft een doorsnede weer van een blad van een plant, gezien door een microscoop.

Enkele delen zijn met een letter aangegeven.


Welke letter geeft een deel van het blad aan dat uit één soort weefsel bestaat?

a)

P

b)

Q

c)

R

d)

P en Q

e)

Q en R