Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling orgaanstelsels jaar 1 en 2 (Je lichaam werkt!)

Total questions: 26

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.
Juist of onjuist?

Een groep cellen met dezelfde bouw en taak heet een orgaanstelsel
a)
Juist
b)
Onjuist
2.
Welke functie heeft het zenuwstelsel?
a)
Organen laten werken en samenwerken
b)
Fijnmaken van voedsel tot voedingsstoffen die naar je bloed kunnen gaan
c)
Opnemen van zuurstof en afgeven van koolstofdioxide
d)
Vervoeren van stoffen
3.
In je cellen wordt brandstof verbrand met behulp van zuurstof. Hierbij komt energie vrij.
Welke stof wordt er verbrand?
a)
Water
b)
Koolstofdioxide
c)
Energie
d)
Glucose
4.
Wat is vertering?
a)
Energie in voedingsstoffen gebruiken om te bewegen
b)
Voedingsstoffen opnemen in het bloed
c)
Voedingsstoffen gebruiken om cellen te bouwen
d)
Voedingsstoffen klein maken zodat ze in het bloed kunnen worden opgenomen
5.
Sara verslikt zich in een beschuit. Ze moet flink hoesten om de kruimels kwijt te raken. Welk onderdeel heeft zijn taak niet goed uitgevoerd?
a)
Huig
b)
Strotklepje
6.
Bij een adembeweging ontspannen de tussenribspieren en middenrifspieren. Wat gebeurt hierdoor? 
a)
Borstkas wordt groter, je ademt in
b)
Borstkas wordt groter, je ademt uit
c)
Borstkast wordt kleiner, je ademt in
d)
Borstkas wordt groter, je ademt uit.
7.
Als je hoest trekken de spieren in je buikwand samen. Gaat het middenrif daardoor omhoog of omlaag? Stroomt er lucht naar binnen of naar buiten?
a)
Middenrif gaat omhoog en lucht stroomt naar binnen
b)
Middenrif gaat omhoog en lucht stroomt naar buiten
c)
Middenrif gaat omlaag en lucht stroomt naar binnen
d)
Middenrif gaat omlaag en lucht stroomt naar buiten
8.
In de longblaasjes vindt gaswisseling plaats.   Welke zinnen beschrijven wat er gebeurt bij deze gaswisseling?  
1 Zuurstof gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
 
2 Zuurstof gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
 
3 Koolstofdioxide gaat vanuit het bloed naar de lucht in de longblaasjes.
 
4 Koolstofdioxide gaat vanuit de lucht in de longblaasjes naar het bloed.
a)
Zin 1 en 2
b)
Zin 1 en 3
c)
Zin 2 en 3
d)
Zin 2 en 4
9.
Tamara en Roy vergelijken de samenstelling van ingeademde lucht en uitgeademde lucht. Ze doen allebei een uitspraak hierover.  
Roy: Ingeademde lucht bevat minder koolstofdioxide dan uitgeademde lucht.
  Tamara: Uitgeademde lucht bevat meer waterdamp dan ingeademde lucht.  
Wie heeft gelijk? 
a)
Roy
b)
Tamara
c)
Roy en Tamara
d)
Geen van beide
10.
Sven en Oscar houden zo lang mogelijk hun adem in.
Wordt het koolstofdioxidegehalte in hun bloed daardoor groter of kleiner?
a)
Groter
b)
Kleiner
11.
Welk van de onderstaande stellingen zijn onjuist?
1. Bloedplasma bestaat uit bloedcellen.
2. In rode bloedcellen zit hemoglobine.
3. Bloed is rood door hemoglobine.
4. Witte bloedcellen vervoeren koolstofdioxide
a)
1 en 2 zijn onjuist
b)
2 en 3 zijn onjuist
c)
3 en 4 zijn onjuist
d)
1 en 4 zijn onjuist
12.
Jet en Anne bekijken een afbeelding van een bloedvat zonder kleppen, maar met een gespierde wand.  
Jet zegt: 'Het bloedvat is een slagader want het heeft een gespierde wand.'
 
Anne zegt: 'Het is een ader, want er ontbreken kleppen.'
 
Wie heeft of wie hebben gelijk?
a)
Jet
b)
Anne
c)
Jet en Anne
d)
Geen van beide
13.
De hartkleppen gaan open en de slagaderkleppen gaan dicht, tijdens
a)
Het samentrekken van de boezems
b)
Het samentrekken van de kamers
c)
De hartpauze
14.
Via de armslagaders komt er bloed in je armen en handen. Bij welke bloedsomloop horen de armslagaders? 
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
15.
In de haarvaten van de longen wordt zuurstof opgenomen in het bloed.   Bij welke bloedsomloop horen de haarvaten van de longen? 
a)
Grote bloedsomloop
b)
Kleine bloedsomloop
c)
Grote en kleine bloedsomloop
16.
Hoe heet bloedvat  2?
a)
Longader
b)
Longslagader
c)
Bovenste holle ader
d)
Aorta
17.
Het bloed in bloedvat C heeft
a)
een hoge bloeddruk
b)
een lage bloeddruk
18.
Dit wand van dit bloedvat is het dunst van de drie soorten
a)
slagader
b)
ader
c)
haarvat
19.

De juiste volgorde van klein naar groot is...

a)

Cel --> Weefsel --> Orgaan --> Orgaanstelsel --> Organisme

b)

Organisme --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Weefsel --> Cel

c)

Cel --> Orgaan --> Weefsel --> Organisme --> Orgaanstelsel

d)

Weefsel --> Cel --> Orgaanstelsel --> Orgaan --> Organisme

20.

Een orgaan is een...

a)

deel van het lichaam met een bepaalde taak

b)

Groep cellen met dezelfde vorm en functie

c)

Groep organen die samenwerken aan een grotere taak

21.

Welk orgaan wordt aangewezen met nummer 1?

a)

Luchtpijp

b)

Slokdarm

c)

Longen

d)

Middenrif

22.

Om te kunnen bewegen hebben onze spieren brandstoffen nodig. Welke orgaanstelsels werken samen om je spieren van brandstoffen te voorzien? Tik de stelsels aan.

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Ademhalingsstelsel

c)

Verteringsstelsel

d)

Zenuwstelsel

23.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

24.

Welk orgaanstelsel zien we hier?

a)

Bloedvatenstelsel

b)

Zenuwstelsel

c)

Spierstelsel

d)

Verteringsstelsel

e)

Ademhalingsstelsel

25.

Op de afbeelding is de reactievergelijking van verbranding in het lichaam te zien. Hij is niet af, welke stof moet op plek 1 staan?

a)

Glucose

b)

Suiker

c)

Koolstofdioxide

d)

Voedingsstof

26.
In de zintuigen wordt van een prikkel een
a)
taak gemaakt
b)
afdruk gemaakt
c)
impuls gemaakt
d)
inpuls