wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Krijg de zenuwen...

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Het zenuwstelsel bestaat uit meerdere organen. Het Centrale Zenuwstelsel bestaat uit ..

a)

De grote hersenen, de zenuwbanen en de kleine hersenen

b)

De grote hersenen, de kleine hersenen en het ruggenmerg

c)

De grote hersenen, de zenuwbanen en het ruggenmerg

d)

De grote hersenen, de hersenstam en de zenuwbanen

2.

Het perifere zenuwstelsel omvat ..

a)

de hersenen en de zenuwbanen

b)

het ruggenmerg en de zenuwbanen

c)

alleen de zenuwbanen

3.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 1 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

4.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 2 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

5.

Een zenuwcel bestaat uit een aantal onderdelen. Nummer 3 is ..

a)

het cellichaam

b)

de korte uitloper

c)

de lange uitloper

d)

de celkern van het cellichaam

6.

De zenuwcel die weergegeven is in de afbeelding is een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

7.

Als een prikkel wordt waargenomen gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

8.

Als een spier of klier wordt aangestuurd gebeurt dit door een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

9.

Een prikkel wordt in het lichaam omgezet in een soort stroompje. Dit gebeurt in een ..

a)

schakelzenuwcel

b)

gevoelszenuwcel

c)

bewegingszenuwcel

d)

zintuigcel

10.

De weg van een impuls gaat over een aantal banen. De juiste volgorde van het ontstaan van een prikkel tot de actie is:

a)

prikkel-bewegingszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-spier

b)

prikkel-zintuigcel-impuls-gevoelszenuwcel-schakelzenuwcel-ruggenmerg-hersenen-schakelzenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

impuls-zintuigcel-ruggenmerg-schakelzenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-ruggenmerg-gevoelszenuwcel-spier

11.

De hypofyse wordt aangegeven met nummer ..

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

12.

De schildklier wordt aangegeven met nummer ..

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

13.

Nummer 5 geeft de .. aan

a)

bijnieren

b)

schildklier

c)

alvleesklier

d)

eierstokken

14.

Er zijn 2 hormonen die direct invloed hebben op de hoeveelheid glucose in het bloed. Deze hormonen zijn ..

a)

adrenaline en glucagon

b)

glucagon en insuline

c)

insuline en adrenaline

d)

oestrogeen en testosteron

15.

Een reflex heeft een korte en snelle werking om het lichaam te beschermen. De weg van een reflexboog is ..

a)

zintuigcel-gevoelszenuwcel-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

b)

impuls-bewegingszenuwcel-grote hersenen-ruggenmerg-bewegingszenuwcel-spier

c)

prikkel-gevoelszenuwcel-grote hersenen-kleine hersenen-bewegingszenuwcel

16.

Diabetes type 1 is een geneesbaar

a)

ja

b)

nee

c)

weet niet

17.

Diabetes type 2 wordt ook wel ... genoemd

a)

welvaartsziekte

b)

overgewichtssuiker

c)

obesitassuiker

18.

Het autonome zenwustelsel bestaat uit...

a)

centraal en perifeer zenuwstelsel

b)

centraal en orthosympatisch zenuwstelsel

c)

para en orthosympatisch zenuwstelsel

d)

perifeer en othosympatisch zenuwstel

19.

De grijze delen in hersenen zijn... en in het ruggenmerg...

a)

uitlopers van zenuwcellen en cellichamen van zenuwcellen

b)

cellichamen van zenuwcellen en uitlopers van zenuwcellen

c)

beide uitlopers van zenuwcellen

d)

beide cellichamen van zenuwcellen

20.

Je ziet hier.... en dit komt voor in...

a)

glad spierweefsel, hartspier

b)

dwarsgestreept spierweefsel, organen

c)

hartspierweefsel, hart

d)

dwarsgestreept, skeletspieren

e)

glad spierweefsel, orgaanspieren

21.

Kijk goed naar de afbeelding. Je ziet hier een spier. Waaraan en hoe zit de spier bevestigd?

a)

De spier zit aan een orgaan, met een botvlies

b)

De spier zit aan het bot met een pees

c)

De spier zit aan het bot met een spiervlies

d)

De spier zit aan een orgaan met een spiervlies

22.

Een spier bestaat uit ....

a)

meerdere spierbundels in een spierschede

b)

meerdere spieren

c)

meerdere spiercellen in een spierbundel omgeven door een spiervlies

d)

meerdere spiercellen in een spierschede

23.

Iemand moet veel plassen en valt af. Het blijkt dat deze persoon.... heeft en de oorzaak is...

a)

diabetes (suikerziekte), te veel insuline

b)

diabetes, te weinig glucagon

c)

diabetes, te weinig insuline

d)

obisitas, te veel glucagon

24.

Je ziet hier de torso van de mens. Wat is de functie van nummer 10?

a)

afgeven van adrenaline

b)

afgeven van ADH

c)

afgeven van EPO

d)

afgeven van glucagon