wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Thema 1 Planten en dieren

Total questions: 21

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat zijn wel levenskenmerken?

a)

Voeden

b)

Groeien

c)

Ontwikkelen

d)

Voortplanten

e)

Waarnemen

2.

water is

a)

Levenloos

b)

dood

3.

Het groter en zwaarder worden van een organisme heet

a)

Ontwikkelen

b)

groeien

4.

De (a)   is een witte plek op een zaadje waarmee deze vastzat aan de plant.

5.

Via het (a)   gaat water het zaadje in, daardoor kan de kiem in het zaadje gaan kiemen.

6.

In de (a)   zitten voedingsstoffen voor de groeiende kiemplant.

7.

Waar of niet waar? Een levenscyclus van een plant eindigt als de zaden gemaakt zijn om een nieuwe levenscyclus te starten.

a)

Waar

b)

Niet waar

8.

Verandering in de bouw (uiterlijk) van een organisme heet

a)

Groei

b)

Ontwikkeling

9.

Een ander woord voor metamorfose is (a)  

10.

In deze levensfase van een vlinder vindt de vervelling plaats

a)

1 Ei

b)

2 Larve

c)

3 Pop

d)

4 Imago

11.

In de derde fase van de levenscyclus van een vlinder (pop) maakt de larve een omhulsel om zichzelf. Dit omhulsel heet (a)  

12.

Een volwassen kikker haalt adem door

a)

Longen

b)

De huid

c)

Inwendige kieuwen

d)

Uitwendige kieuwen

13.

Een kind leert fietsen. Deze manier van ontwikkeling heet

a)

Geestelijke ontwikkeling

b)

Lichamelijke ontwikkeling

c)

Motorische ontwikkeling

14.

Welke levensfase bij de mens duurt gemiddeld van 12 tot 16 jaar?

a)

Adolescent

b)

Schoolkind

c)

Puber

15.

De eerste groeispurt vindt plaats in deze fase:

a)

Puber

b)

Baby

c)

Schoolkind

d)

Peuter

16.

Planten hebben een bepaalt soort suiker nodig om te leven. Deze maken ze zelf door middel van een proces dat fotosynthese heet. Hoe heet deze suiker?

(a)  

17.

Om glucose te maken heeft een plant nodig

a)

Zonlicht, water en koolstofdioxide

b)

Zuurstof, water en koolstofdioxide

c)

Zonlicht, water en zuurstof

18.

Dieren die door het water moeten zwemmen hebben vaak een speciale vorm om minder weerstand van het water te hebben. Deze vorm heet (a)  

19.

Wat is een aanpassing van een landplant?

a)

Drijven

b)

Diepe wortels

c)

Niet stevige stengel

20.

Deze soort snavel komt voor bij roofvogels

a)

Kegelsnavel

b)

Pincetsnavel

c)

Priemsnavel

d)

Haaksnavel

21.

Een paard is een

a)

Teenganger

b)

Zoolganger

c)

Topganger