wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3TL 3.4 Voedselrelaties

Total questions: 16

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Een prooidier is een abiotische factor.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?

a)

Consumenten

b)

Reducenten

c)

Producenten

d)

Afvaleters

3.

In deze voedselketen is het koolmeesje...

a)

een producent.

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een consument van de tweede orde.

d)

een consument van de derde orde.

4.

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan de niveaus op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeenschap - ecosysteem

5.

Welke van onderstaande factoren is biotisch?

a)

Reducenten

b)

Bodemvochtigheid

c)

Waterdiepte

d)

Grondsoort

6.

Welke onderstaande factor is abiotisch?

a)

Predator

b)

Parasiet

c)

Zuurgraad

d)

Prooidier

7.

Wat voor een soort voedselpiramide zie je hier?

a)

Piramide van aantallen.

b)

Piramide van biomassa.

c)

Piramide van energiedoorstroming.

8.
Wat voor een voedselpiramide zie je hier?
a)
Piramide van aantallen.
b)
Piramide van biomassa.
c)
Piramide van energiedoorstroming
9.

Welk begrip hoort bij deze beschrijving:

"Alle levende organismen in de rivier. In een rivier leven onder andere vissen, kreeften, insecten en waterplanten."?

a)

Ecosysteem

b)

Individu

c)

Levensgemeenschap

d)

Populatie

10.

Welk begrijp hoort bij deze beschrijving:

"Alle biotische factoren en abiotische factoren in en om de sloot."?

a)

Ecosysteem

b)

Populatie

c)

Individu

d)

Levensgemeenschap

11.

Wat is een voedselweb?

a)

Een reeks van eten en gegeten worden.

b)

Alle biotische factoren in een ecosysteem.

c)

Alle voedselrelaties in een ecosysteem.

12.

Wat ontbreekt bij nummer 2?

a)

Consument

b)

Producent

c)

Reducent

d)

Afvaleters

13.

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.

  • Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
  • Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
  • Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
  • Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
a)

leerling 1

b)

leerling 2

c)

leerling 3

d)

leerling 4

14.

Veel heidevelden in Nederland worden begraasd door schapen. De schapen eten jonge boompjes en struiken die tussen de heideplanten groeien. Als die bomen en struiken groot zouden worden, verdwijnen op den duur de heideplanten.


Wat is de juiste volgorde van een voedselketen?

a)

schapen -> heidevelden -> jonge boompjes en struiken

b)

heidevelden -> schapen

c)

jonge boompjes -> schapen

d)

jonge boompjes -> struiken -> schapen

15.

Veel heidevelden in Nederland worden begraasd door schapen. De schapen eten jonge boompjes en struiken die tussen de heideplanten groeien. Als die bomen en struiken groot zouden worden, verdwijnen op den duur de heideplanten. Dat komt doordat grote bomen en struiken abiotische factoren van een heideveld veranderen.


Welke abiotische factoren zijn hier voorbeelden van?

a)

Schapen

b)

Hoeveelheid zon

c)

Hoeveelheid water

d)

Jonge boompjes

16.

Elk jaar zwemmen in Canada miljoenen volwassen zalmen vanuit zee de rivieren op. In voedselarme meertjes planten ze zich dan voort. Hierna sterven de volwassen zalmen. Die dode zalmen zijn onmisbare mest in de meertjes waarin hun jongen opgroeien. De jonge zalmen eten dierlijk plankton. Het dierlijk plankton leeft van plantaardig plankton.


Welke organismen hebben de rol van producent in de voedselarme Canadese meertjes?

a)

Jonge zalmen

b)

Volwassen zalmen

c)

Dierlijk plankton

d)

Plantaardig plankton