wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Plinius Vesuviusbrieven

Total questions: 50

Worksheet time: 33mins

Name
Class
Date
1.

Algemeen: aan wie schreef Plinius de brieven uit ons boekje?

a)

Rectina van Cascus

b)

Tacitus

c)

Trajanus

d)

Pomponianus

2.

Wat is de volledige naam van Plinius Minor?

a)

Plinius Caesar Secundus

b)

Gaius Plinius Caesar Secundus

c)

Gaius Plinius Secundus

d)

Gaius Plinius Caecilius Secundus

3.

Hoe heette het belangrijkste werk van Plinius Maior?

a)

Naturalis Encyclopedia

b)

De Natura Historius

c)

Naturalis Historia

d)

Historia Naturae

4.

Wie was keizer toen de Vesuvius uitbarstte?

a)

Titus

b)

Vespasianus

c)

Domitianus

d)

Nero

5.

Waar woonde Plinius Minor op het moment van de Vesuviusuitbarsting?

a)

Stabiae

b)

Misenum

c)

Herculaneum

d)

Pompeii

6.

Wat was Plinius Minor van Plinius Maior?

a)

zijn zoon

b)

zijn buurjongen

c)

zijn neef

d)

zijn broer

7.

Wanneer overleed Plinius Maior?

a)

augustus 79 n.Chr.

b)

juli 79 n. Chr.

c)

augustus 78 n.Chr.

d)

juli 78 n.Chr.

8.

Wat is niet waar over Plinius Maior?

a)

hij is/was bekend om zijn brieven

b)

hij was militair

c)

hij heeft de eerste encyclopedie geschreven

d)

hij had waarschijnlijk astma

9.

Wat voor vorm is scribam (tekst 1, r.1)?

a)

ind. impf. 1e ev

b)

coni. praes. 1e ev

c)

acc ev v

d)

ind. plusqfperf. 1e ev

10.

tekst 1: noem twee pfa's uit deze tekst

a)

mansura + victurus

b)

victurus + propositam

c)

mansura + circumactis

d)

propositam + circumactis

11.

Tekst 1: beatissimos (r.10) is een

a)

superlativus dat mv

b)

comparativus dat mv

c)

superlativus acc mv

d)

comparativus acc mv

12.

Tekst 2, r.4: Wat is iacens?

a)

ppa

b)

ppp

c)

impf

d)

perf

13.

Tekst 2: Welk woord is een ppp?

a)

usus (r.4)

b)

iacens (r.4)

c)

conspici (r.6)

d)

intuentibus (r.7)

14.

Tekst 2, r.19-22: wat was Plinius MInor aan het doen toen zijn oom weg was?

a)

hij was aan het lezen

b)

hij was aan het slapen

c)

hij was aan het eten

d)

hij was aan het studeren

15.

Tekst 2: Wie wordt bedoeld met ei (r.3)?

a)

Plinius Minor

b)

Plinius Maior (de oom)

c)

de moeder van Plinius Minor

d)

de vriend uit Spanje

16.

Tekst 3a

Welke beweringen zijn waar?

a)

het onderwerp van eriperet (3) is Rectina

b)

het onderwerp van orabat (4) is Rectina

c)

het onderwerp van subiacebat (2) is Plinius Maior

d)

het onderwerp van accipit (1) is Plinius Maior

17.

Tekst 3a

Benoem properat (7)

a)

3e ev. coni. praes. act.

b)

3e ev. ind. praes. act.

c)

3e ev. ind. pl.pf. act.

d)

3e ev. coni. pl.pf. act.

18.

Tekst 3a

Is ut in regel 9 en 10 hetzelfde gebruikt?

a)

ja: beiden met coniunctivus

b)

ja: beiden met indicativus

c)

nee: r. 9 coniunctivus, r. 10 met indicativus

d)

nee: r. 9 indicativus , r. 10 met coniunctivus

19.

Tekst 3a

Vertit ille consilium (4)

Welk(e) woord(en) uit het vervolg drukt het beste zijn aanvankelijke plan uit?

a)

studioso animo (4)

b)

maximo <animo> (5)

c)

quadriremes (5)

d)

auxilium (7)

20.

Tekst 3, r.4: Wie is het onderwerp van orabat?

a)

Plinius Maior

b)

Pomponianus

c)

Plinius Minor

d)

Rectina van Cascus

21.

Tekst 3a

Welk tekstelement geeft ita (16) weer?

a)

cunctatus paulum (15)

b)

retro flecteret (16)

c)

gubernator (16)

d)

fortes fortuna iuvat (17)

22.

Tekst 3a

Pomponianum pete (17). Waarom besluit Plinius Maior dit?

a)

Ze kunnen Rectina niet bereiken door het geweld van de vulkaan

b)

Ze kunnen Rectina niet bereiken door een ongunstige wind

c)

Ze kunnen Rectina niet bereiken omdat het nacht wordt

d)

Ze kunnen bij Pomponianus meer mensen redden

23.

Tekst 4

Wie is het onderwerp van erat (1)

a)

Plinius Maior

b)

Plinius Minor

c)

Pomponianus

d)

Rectina

e)

de gubernator (stuurman) uit tekst 3a

24.

Tekst 4

certus fugae (5) Waarom is Pomponianus dit?

a)

Het gevaar komt dichterbij

b)

Het is donker geworden en het regent puimstenen

c)

Plinius Maior heeft hem gewaarschuwd

25.

Tekst 4

In regel 7 staan twee participia. Horen ze beiden bij dezelfde persoon?

a)

ja: beiden bij Pomponianus

b)

ja: beiden bij Plinius Maior

c)

nee: invectus bij Pomponianus, trepidantem bij Plinius

d)

nee: invectus bij Plinius, trepidantem bij Pomponianus

26.

Tekst 4

Citeer het tekstelement dat tegenover securitate (8) staat.

a)

timorem (8)

b)

leniret (8)

c)

trepidantem (7)

d)

lotus (9)

27.

Tekst 4

Welke bewering is waar over deferri (8)

a)

het is 1e ev. ind. pf. act.

b)

het is inf. pr. pas.

c)

het is gen.ev.o.

d)

het is een ppp

28.

Tekst 6: r.4 ecquid iam mare admitteret. Wat wordt hiermee bedoeld?

a)

of ze al toegelaten zouden worden op zee

b)

of Plinius Maior het al goed vond als ze de zee op gingen

c)

of de zee al begaanbaar was

d)

of er al schepen aankwamen over zee

29.

Tekst 6, r.4 admitteret is een coni, want

a)

het staat in een afhankelijke vraag

b)

het is een aansporing

c)

het is een mogelijkheid

d)

het is een wens

30.

tekst 6, r.5: waarom staat permanebat juist in het imperfectum?

a)

het geeft een plotselinge gebeurtenis aan

b)

het verhaal staat in de verleden tijd

c)

het geeft een toestand aan

d)

het geeft een gewoonte aan

31.

Tekst 6: Welke van deze tekstelementen is een ablativus absolutus?

a)

illi natura (r.10)

b)

spiritu obstructo (r.9-10)

c)

corpus inventum (r.13)

d)

habitus corporis (r.14)

32.

Tekst 6, r.15: quam kun je op alle onderstaande manieren vertalen, afhankelijk van de context. Wat is hier de juiste vertaling?

a)

die (betr vnw)

b)

dan

c)

hoe

d)

zo ... mogelijk

33.

Tekst 7, r.2: Wie wordt bedoeld met eius?

a)

Plinius Minor

b)

Plinius Maior

c)

Plinius' moeder

d)

Tacitus

34.

Tekst 7, r.3: wie wordt bedoeld me me?

a)

Plinius Minor

b)

Plinius Maior

c)

Plinius' moeder

d)

Tacitus

35.

Tekst 7, r.3-5 unum t/m persecutum: wat wil Plinius met deze woorden bereiken?

a)

hij is er trots op dat hij dit heeft meegemaakt en schept er hier over op

b)

hij wil laten weten dat hij veel moeite heeft gedaan om ooggetuigen te vinden

c)

hij wil duidelijk maken dat hij alle gebeurtenissen zo snel mogelijk heeft opgeschreven

d)

Hij wil laten zien dat hij zo objectief mogelijk is geweest bij zijn beschrijving

36.

Tekst 7 r.5: welke vorm is excerpes?

a)

ind. praes 2e ev

b)

ppp

c)

coni praes 2e ev

d)

ind fut 2e ev

37.

Tekst 8, r.1: wat voor vorm is adductum?

a)

ppp

b)

ppa

c)

bijv nw

d)

pfa

38.

Tekst 8, r.4: waarom staat pertulerim in de coniunctivus?

a)

het is een aansporing

b)

het is een potentialis

c)

het staat in een afhankelijke vraag

d)

het is een irrealis

39.

Tekst 8 r.6: wat doet Plinius Minor nadat zijn oom vertrokken is, en in welke volgorde? Kijk goed!

a)

hij neemt een bad, eet wat, slaapt even.

b)

Hij studeert, slaapt, eet wat en neemt een kort bad.

c)

Hij studeert, neemt een bad, eet wat, slaapt even.

d)

hij eet wat en slaapt dan even.

40.

Tekst 8, r.9: minus formidolosus quia Campaniae solitus. Waarom waren de mensen niet zo bang, volgens de tekst?

a)

In dit gebied waren aardbevingen normaal.

b)

De aardbeving was niet zo sterk.

c)

Het epicentrum was ver weg.

d)

Ze hadden al maatregelen genomen.

41.

Tekst 8, r.11: wat voor vorm is crederentur?

a)

coni impf

b)

coni perf

c)

ppp

d)

ind fut

42.

Tekst 8, r.14-17: waarom vindt Plinius Minor zich moedig, of misschien zelfs wel roekeloos?

a)

hij wil de uitbarsting van dichtbij bekijken

b)

hij besluit zijn moeder te redden

c)

hij gaat wat zitten studeren

d)

hij gaat een dutje doen

43.

Tekst 8, r.17: wie wordt bedoeld met qui?

a)

Plinius Maior (oom)

b)

Plinius Minor

c)

een vriend van de oom

d)

Plinius' moeder

44.

Tekst 8, r.18: Wie wordt bedoeld met eum?

a)

Plinius Minor

b)

Plinius Maior

c)

een vriend van de oom

d)

Plinius' moeder

45.

Tekst 8, r.19: wie wordt bedoeld met illius?

a)

Plinius Minor

b)

Plinius Maior

c)

een vriend van de oom

d)

Plinius' moeder

46.

Tekst 8, r.19 legentem: over wie zegt dit ppa iets?

a)

amicus (r.17)

b)

avunculi (r.17)

c)

me (r.18)

d)

matrem (r.18)

47.

Tekst 9 r.7: uit wie/wat bestaat ingenti agmine?

a)

oppido (r.4)

b)

vulgus (r.5)

c)

pavore (r.5)

d)

alienum consilium (r.6)

48.

Tekst 9. Welke stelling is NIET juist?

a)

Egressi (r.7) is een perf 1e ev.

b)

miranda (r.8) is een gerundivum

c)

patimur (r.9) is een deponens

d)

produci (r.9) is een inf. praes passief

49.

Tekst 9, r.24: Welke vorm is moratus en waarmee congrueert het?

a)

ppa + amicus (ex Hispania)

b)

ppp + amicus (ex Hispania)

c)

ppa + frater tuus, tuus avunculus

d)

ppp + + frater tuus, tuus avunculus

50.

Tekst 8, r.5: welke vorm(en) kan incipiam zijn?

a)

ind praes

b)

coni praes

c)

ind fut

d)

acc ev v