wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Wat kun je al na één jaar Latijn?

Total questions: 20

Worksheet time: 27mins

Name
Class
Date
1.

SPQR staat voor ...

a)

senatus populusque Romanus

b)

samen praten, quizzen, reizen!

c)

sunt populi, qui rubescant

2.

De talen die uit het Latijn voortkwamen noemen we ...

a)

Romaanse talen

b)

Latijns-Amerikaanse talen

c)

Latijnse talen

d)

Germaanse talen

3.

Welke 3 periodes kende de Romeinse geschiedenis, en in welke volgorde?

a)

koningstijd, keizertijd, republiek

b)

koningstijd, republiek, keizertijd

c)

koningstijd, democratie, monarchie

d)

koningstijd, dictatuur, patriarchaat

4.

Op zijn hoogtepunt strekte het Romeinse rijk zich uit van ...

a)

Woerden tot Vleuten en Maastricht tot Delfzijl

b)

Rome tot Zanzibar en van Parijs tot Londen

c)

Ierland tot Noord-Afrika en van Portugal tot de Zwarte Zee

5.

Het Forum was ...

a)

... het centrale plein in Rome en in andere Romeinse steden.

b)

in de 1e eeuw voor Chr. nog onbebouwd.

c)

De instantie waar mensen hun geld naar toe brachten om te sparen.

d)

Een soort restaurant.

6.

Welke dingen vonden er plaats op het Forum? Vink ze allemaal aan!

a)

handel

b)

rechtspraak

c)

godsdienstige plechtigheden

d)

politiek

7.

De uitgang van het werkwoord in de 3e pers. ev. is ...

a)

- t.

b)

- nt.

c)

- o.

d)

-s.

8.

De naamval van het onderwerp noemen we ...

a)

accusativus

b)

nominativus

c)

dativus

d)

ablativus

9.

rex servum vocat.

In deze zin is het woord servum ...

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

werkwoord

d)

bepaling

10.

Welk dier is het symbool van Rome?

a)

De gans

b)

De krokodil

c)

De olifant

d)

De wolvin

11.

Het meervoud van de acc. puerum is ...

a)

pueri

b)

pueros

c)

pueris

d)

puerorum

12.

De dativus is de naamval van het ...

a)

onderwerp

b)

lijdend voorwerp

c)

meewerkend voorwerp

d)

werkwoord

13.

Welke vormen zijn dativus?

a)

rosa, servus, rex

b)

rosae, servi, regis

c)

rosae, servo, regi

d)

rosarum, servorum, regum

14.

De twee broers die Rome gesticht zouden hebben, heetten ...

a)

Quintus en Marcus

b)

Caesar en Augustus

c)

Romulus en Remus

d)

Rodney en Wesley

15.

Romulus et Remus de monte Palatino descendunt.

Welke woorden vormen een bijwoordelijke bepaling?

a)

Romulus et Remus

b)

de monte Palatino

c)

Romulus, Remus en monte

d)

monte Palatino

16.

Welk Latijns woord herken je in de Franse naam Mont Blanc?

a)

monstrum

b)

mons, montes

c)

monére

d)

movére

17.

Een votum is een ...

a)

Romeinse tempel

b)

een gelofte die je aflegt: voor wat hoort wat

c)

stem

d)

offer voor de godheid

18.

Waaruit bestond het mandatum van de Vestaalse Maagden?

a)

het vuur van Vesta steeds brandend houden

b)

de Opperpriester tevreden houden

c)

voor het huishouden zorgen

d)

voorname functies vervullen in de Romeinse samenleving

19.

Welke vormen zijn persoonlijke voornaamwoorden?

a)

Aemilia, Claudia, Metella

b)

Ego, eas, te, eum, nobis

c)

docet, vident, sunt

d)

in, de, ex, pro

20.

Wat was de poena die een Vestaalse Maagd kreeg als ze seks had met een man?

a)

Ze moest de tempel en het hele Forum schrobben

b)

Ze kreeg 39 zweepslagen

c)

Ze werd levend begraven

d)

Ze moest een geldbedrag aan de tempelschatkist betalen