wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ontleden: pv, zinsdelen, onderwerp, lijdend voorwerp, tijd- plaa

Total questions: 30

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

De koeien stonden in de wei.


Wat is de persoonsvorm in de zin hierboven?

a)

stonden

b)

de koeien

c)

in de wei

d)

de koeien stonden

2.

De moeder van Joost werkt bij de supermarkt.


Wat is de persoonsvorm in de zin hierboven?

a)

De moeder

b)

Joost

c)

werkt

d)

De moeder van Joost

3.

Maandag heeft Sonja een wedstrijd in de stad.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Maandag

b)

een wedstrijd

c)

Sonja

d)

heeft

4.

De straat waarin ik woon wordt omgebouwd.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

De straat

b)

ik

c)

wordt omgebouwd

d)

De straat waarin ik woon

5.

In Hilvarenbeek staat een cafeetje naast de kerk.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

een cafeetje

b)

de kerk

c)

Hilvarenbeek

d)

een cafeetje naast de kerk

6.

De kinderen van groep 5 gingen vanmiddag buitenspelen.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

De kinderen

b)

gingen

c)

De kinderen van groep 5

d)

gingen buitenspelen

7.

's Morgens zijn wij naar het museum geweest.


Wat is het gezegde in de zin hierboven?

a)

's Morgens geweest

b)

zijn geweest

c)

zijn wij geweest

d)

geweest

8.

Het water in de sloot naast ons huis is vervuild geraakt.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Het water

b)

Het water in de sloot

c)

Het water in de sloot naast ons huis

d)

is vervuild geraakt

9.

Het water in de sloot naast ons huis is vervuild geraakt.


Wat is het gezegde in de zin hierboven?

a)

is

b)

is geraakt

c)

is vervuild geraakt

d)

is vervuild

10.

Wij gaan op zaterdag vaak naar de bioscoop.


Wat is het gezegde in de zin hierboven?

a)

Wij

b)

gaan

c)

de bioscoop

d)

gaan naar de bioscoop

11.

Mijn hobby kan ik vaak uitvoeren op mijn kamer.


Wat is een tijdsbepaling in de zin hierboven?

a)

vaak

b)

uitvoeren

c)

op mijn kamer

d)

Mijn hobby

12.

Zondag gaan wij naar onze familie in Amstelveen.


Wat is een plaatsbepaling in de zin hierboven?

a)

Zondag

b)

onze familie in Amstelveen

c)

in Amstelveen

d)

naar onze familie in Amstelveen

13.

In de speeltuin staan schommels waar ik heel hoog mee kan.


Wat is een plaatsbepaling in de zin hierboven?

a)

waar ik heel hoog mee kan

b)

In de speeltuin

c)

schommels

d)

waar mee kan

14.

Om 12.10 uur komt de trein uit Zwolle aan op het perron.


Wat is een plaatsbepaling in de zin hierboven?

a)

Om 12.10 uur

b)

de trein uit Zwolle

c)

op het perron

d)

komt aan

15.

De tafel in de woonkamer is vandaag geverfd.


Wat is een tijdsbepaling in de zin hierboven?

a)

De tafel

b)

De tafel in de woonkamer

c)

vandaag

d)

is geverfd

16.

De boeren op het platteland staan vaak al om 5.00 uur op.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

De boeren

b)

vaak

c)

De boeren op het platteland

d)

staan op

17.

De boeren op het platteland staan vaak al om 5.00 uur op.


Wat is een tijdsbepaling in de zin hierboven?

a)

al om 5.00 uur

b)

De boeren

c)

staan op

d)

op het platteland

18.

Wij bouwen dijken om ons te beschermen tegen het water.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

Wij

b)

ons

c)

het water

d)

dijken

19.

De vader van Marijke heeft een vijver in de tuin gegraven.


Wat is het gezegde in de zin hierboven?

a)

heeft

b)

gegraven

c)

heeft gegraven

d)

een vijver in de tuin

20.

Ik ging eerder naar bed toe gisterenavond.


Wat is een tijdsbepaling in de zin hierboven?

a)

ging toe

b)

eerder

c)

naar bed toe gisterenavond

d)

naar bed

21.

De vriendinnen van Francine hebben allemaal hun haar laten groeien.


Wat is het gezegde in de zin hierboven?

a)

hebben laten groeien

b)

hebben groeien

c)

hebben

d)

hebben laten

22.

Voor de zomer hebben wij een badje voor in de tuin gekocht.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

een badje

b)

wij

c)

hebben gekocht

d)

een badje voor in de tuin

23.

De beugel van Mark zit regelmatig los.


Wat is het onderwerp in de zin hierboven?

a)

De beugel van Mark

b)

De beugel

c)

Mark

d)

zit los

24.

Ik ruim het speelgoed dat in mijn kamer ligt vaak niet op.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

het speelgoed

b)

het speelgoed dat in mijn kamer ligt

c)

in mijn kamer

d)

vaak

25.

Toen ik jong was had ik een hamster op mijn kamer.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

Toen ik jong was

b)

op mijn kamer

c)

een hamster

d)

ik

26.

Het dagboek heb ik met een niettang geniet.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

heb geniet

b)

ik

c)

Het dagboek

d)

met een niettang

27.

Voor mijn verjaardag kreeg ik om 10.00 uur ontbijt op bed van mijn zus en mijn broertje.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

ontbijt

b)

mijn zus en mijn broertje

c)

mijn verjaardag

d)

ik

28.

Ik mocht dinsdag een uur lang spelletjes spelen op de laptop van mijn vader.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

mocht spelen

b)

de laptop van mijn vader

c)

spelletjes

d)

spelen op de laptop van mijn vader

29.

Ik lees graag in mijn bed een spannend boek.

a)

een spannend boek

b)

in mijn bed

c)

ik

d)

een boek

30.

Mijn boertje luistert slecht naar de woorden die ik uitspreek.


Wat is een lijdend voorwerp in de zin hierboven?

a)

Mijn broertje

b)

luistert uitspreek

c)

naar de woorden

d)

naar de woorden die ik uitspreek.