wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis Deel 2

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

A6

Tijdens het hardlopen vindt in beenspieren anaërobe dissimilatie plaats.


Welke van de stoffen alcohol, koolstofdioxide, melkzuur en water komt of komen in deze spieren vrij bij dat proces?

a)

alleen melkzuur

b)

alleen alcohol en koolstofdioxide

c)

alleen koolstofdioxide en water

d)

alleen alcohol en melkzuur

2.

A6

Iemand heeft zelf aardbeienjam gemaakt. Na een paar maanden opent hij een pot jam. Bij het openen van de pot komt er wat gas vrij. De jam ruikt naar alcohol.

Welke omzetting heeft in deze pot jam plaatsgevonden?

a)

dissimilatie van glucose met zuurstof waarbij alcohol en CO2 ziin ontstaan

b)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en CO2 zijn ontstaan

c)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en O2 zijn ontstaan

3.

A6

Bij het maken van wijn is er sprake van alcoholgisting.

Wijn kun je maken in een fles of vat met een waterslot. Dit waterslot zorgt ervoor dat er gassen uit het vat kunnen ontsnappen, maar dat er geen lucht bij kan komen.

Waarom is het belangrijk dat bij het maken van wijn geen lucht bij het mengsel komt?

a)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

b)

Anders komt er zuurstof bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder zuurstof.

c)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van aerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

d)

Anders komt er koolstofdioxide bij het mengsel en alcoholgisting is een vorm van anaerobe dissimilatie dus zonder koolstofdioxide.

4.

A6

In spieren van de mens vinden onder andere de volgende stofwisselingsprocessen plaats:


1 opbouw van eiwitten uit aminozuren,

2 vorming van melkzuur uit glucose,

3 vorming van glycogeen uit glucose,

4 vorming van CO2 en H2O uit glucose en O2.


Bij welk of bij welke van deze processen komt energie vrij die kan worden gebruikt voor het samentrekken van de spieren?

a)

alleen bij proces 3

b)

alleen bij proces 4

c)

alleen bij proces 1 en 3

d)

alleen bij proces 2 en 4

5.

A7

Brooddeeg zal rijzen door de aanwezigheid van gistcellen. Gistcellen behoren tot het rijk van de schimmels.

In die gistcellen vinden verschillende processen plaats.

Vinden in de gistcellen alleen assimilatieprocessen, alleen dissimilatieprocessen of beide typen processen plaats?

a)

alleen assimilatie

b)

alleen dissimilatie

c)

zowel assimilatie als dissimilatie

6.

A7

Hieronder staan voorbeelden van processen die plaatsvinden in cellen van planten:


1 vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

2 opbouw van aminozuren uit glucose

3 vorming van melkzuur uit glucose

4 vorming van glycogeen uit glucose


Welk of bij welke van deze processen is een voorbeeld van voortgezette assimilatie?

a)

alleen proces 1

b)

alleen proces 4

c)

alleen proces 1 en 4

d)

alleen proces 2 en 4

7.

A7

Een brandende kaars dooft snel als er een glazen stolp overheen wordt geplaatst.

Bij een experiment wordt naast een (nog niet brandende) kaars een plant onder een stolp geplaatst. Het geheel wordt

24 uur in het licht geplaatst, waarna de kaars wordt aangestoken. Uit het experiment blijkt dat de kaars onder de stolp met de plant langer blijft branden dan zonder de plant.

Hieruit kunnen we afleiden dat tijdens de fotosynthese:

a)

zuurstof wordt geproduceerd

b)

koolstofdioxide wordt verbruikt

c)

glucose worden geproduceerd

d)

water wordt verbruikt

8.

A7

"Proces waarbij onder invloed van zonlicht uit kleine anorganische moleculen glucose wordt gemaakt"

Dit is proces is een voorbeeld van

a)

aerobe dissimilatie

b)

anaerobe dissimilatie

c)

koolstof assimilatie

d)

voortgezette assimilatie

9.

B5

Bij bananenvliegjes wordt de oogkleur o.a. bepaald door een gen gelegen in het X-chromosoom. Het allel voor rode oogkleur is dominant over het allel voor witte oogkleur.


Bij welke van de volgende kruisingen zullen alle mannelijke nakomelingen witogig zijn?

a)

heterozygoot wijfe x roodogig mannetje

b)

heterozygoot wijfje x witogig mannetje

c)

witogig wijfje x roodogig mannetje

d)

homozygoot roodogig wijfje x witogig mannetje

10.

B5

Bij de mens komt de zeldzame afwijking albinisme voor met als kenmerken o.a. witte haren en ontbreken van pigment in de iris. Het allel voor albinisme is recessief en X-chromosomaal. Een albino man en een vrouw, die heterozygoot is voor de betrokken eigenschap, krijgen kinderen.


Hoe groot is de kans dat het eerstgeboren meisje een albino is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

11.

B5

Hemofilie is een ziekte bij de mens, die veroorzaakt wordt door het recessieve allel van een gen op het X-chromosoom.

In een bepaalde familie trad deze ziekte al in enkele generaties op. Wanneer in deze familie een vader lijder aan hemofilie is en zijn vrouw noch deze ziekte heeft noch draagster is, kan de ziekte optreden bij

a)

50% van de dochters

b)

alle dochters

c)

50% van de zoons

d)

geen van de zoons

12.

B5

Het allel voor een bepaalde vorm van kleurenblindheid bij de mens is X-chromosomaal en recessief.

Hierover worden de volgende beweringen gedaan.

1 De kans dat een zoon uit een huwelijk tussen een heterozytgote vrouw en een kleurenblinde man kleurenblind is, is 100%

2 De kans dat een dochter uit een huwelijk tussen een heterozygote vrouw en een kleurenblinde man kleurenblind is, is 50%.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

beide beweringen zijn juist

b)

alleen bewering 1 is juist

c)

alleen bewering 2 is juist

d)

beide beweringen zijn onjuist

13.

D2

Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten'.


Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?

a)

De individuen bij wie de verhouding oppervlakte/inhoud het grootst is.

b)

De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.

c)

De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.

d)

De individuen die het langste leven.

e)

De individuen van de soorten die boven in de voedselpiramide staan.

14.

D2

Als een populatie te klein wordt, neemt de overlevingskans van de populatie sterker af dan op grond van het probleem van paarvorming mag worden verwacht.


Waardoor neemt de kans op overleven af als de populatie kleiner wordt?

a)

een kleine populatie heeft een kleine genetische variat

b)

een kleine populatie heeft meer emigratie dan immigratie

c)

een kleine populatie is een eenvoudige prooi voor roofdieren

d)

een kleine populatie wordt makkelijk weggeconcurreerd

15.

D2

In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn.


Is er in deze populatie sprake van selectie?

a)

nee

b)

ja, van natuurlijke selectie

c)

ja, van kunstmatige selectie

16.

D2

In de afbeelding is de evolutie van het geslacht Equus (paard) weergegeven Het oudst bekende paard dat beschreven is, is altijd ingedeeld bij de onevenhoevigen. In het Tertiair had het paard Eohippus aan de voorste ledematen vier en aan de achterbenen drie tenen, nu hebben de paarden nog slechts één teen, aan zowel voor- als achterbenen.


Over deze ontwikkeling worden twee beweringen gedaan:

I De vegetatie veranderde. Om zich snel te kunnen verplaatsen moesten de paarden hun tenen dicht bij elkaar houden. Daardoor vergroeiden deze tenen tot één teen. Omdat dit voordeel had, werden hun nakomelingen met één teen geboren.

II De vegetatie veranderde. Hierdoor kregen mutanten met minder tenen een grotere kans om zich in deze veranderde vegetatie te handhaven. Deze mutanten konden een grotere snelheid ontwikkelen en daardoor succesvol vluchten voor hun vijanden. Uiteindelijk heeft dit geleid tot paarden met slechts één teen.


Welk of welke van de bovengenoemde beweringen is of zijn volgens de evolutie theorie van Darwin juist?

a)

bewering I en II zijn beide juist

b)

alleen bewering I is juist

c)

alleen bewerking II is juist

d)

bewerking I en II zijn beide onjuist

17.

E3

Vale gieren leven in warme, droge streken en in de bergen. De vale gier komt normaal nooit in Nederland. Door een te kort aan voedsel had in juli 2007 een groep het oorspronkelijke woongebied, Spanje, verlaten. Sinds enige tijd is het door een Europese wet verboden om dood vee op het land te laten liggen. In Spanje was dit wel de gewoonte. De kadavers werden dan opgeruimd door onder andere vale gieren. Deze dieren moeten nu op andere plaatsen hun voedsel zoeken.

Het verblijf van deze gieren in Nederland was van korte duur. Vrij snel vertrokken ze weer naar onze zuiderburen. De aanleiding daartoe was een daling van de temperatuur in Nederland.


In de tekst worden verschillende factoren genoemd voor het trekgedrag van de gieren.

-Door welk type factor verlieten deze gieren Spanje?

-Door welk type factor vlogen ze weg uit Nederland?

a)

uit Spanje: abiotisch; uit Nederland: abiotisch

b)

uit Spanje: abiotisch; uit Nederland: biotisch

c)

uit Spanje: biotisch; uit Nederland: abiotisch

d)

uit Spanje: biotisch; uit Nederland: biotisch

18.

E3

De grutto is een weidevogel. Het beheer van weilanden waarin de grutto's nestelen is de laatste jaren regelmatig onderwerp van discussie tussen boeren en natuurbeheerders.

Sinds 1900 nam het aantal grutto's in ons land toe. Een aantal factoren die daarbij een rol gespeeld hebben zijn:

1 grondwaterpeil

2 stalmest

3 grasland


Welke van deze factoren is of welke van deze factoren zijn biotisch?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

zowel 1 als 3

e)

zowel 2 als 3

19.

E3

Welk van onderstaande factoren is biotisch?

a)

predatoren

b)

CO2 gehalte in de lucht

c)

grondsoort

d)

wind

20.

E3

Welk van onderstaande factoren is abiotisch?

a)

voedselaanbod

b)

ziekteverwekkers

c)

reducenten

d)

zuurgraad bodem