Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling middeleeuwen voor 4ASO

Total questions: 53

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Welke keizer splitste het Romeinse Rijk in een oost- en west gedeelte?

a)

Julius Caesar

b)

Augustus

c)

Constantijn de Grote

d)

Fabius

2.

Onder keizer Constantijn werd het christendom de staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk. Dit werd officieel vastgelegd in het:

a)

Edict van Rome, 380.

b)

Edict van Milaan, 313.

c)

Edict van Rome, 313.

d)

Edict van Milaan, 380.

3.
Welke stam veroorzaakte de Grote Volksverhuizing?
a)
Barbaren
b)
Vandalen
c)
Hunnen
d)
Grieken
4.
Hoe heette het stamhoofd wat de laatste Romeinse keizer van het westen afzette?
a)
Barbaros
b)
Tiberius
c)
Odoaker
d)
Flintinus
5.

De vroege middeleeuwen is de periode die gaat van:

a)

ca.500 tot 750

b)

ca.500 tot 1000

c)

ca. 1000 tot 1250

d)

ca.1250 tot 1500

6.

De middeleeuwse wereld berust op drie grote pijlers. Welke zijn ze?

a)

De antieke beschaving, de Byzantijnse beschaving en de Germaanse beschaving.

b)

De Griekse beschaving, de christelijke beschaving en de Keltische beschaving.

c)

De antieke beschaving, de islamitische beschaving en de Germaanse beschaving.

d)

De antieke beschaving, de christelijke beschaving en de Germaanse beschaving.

7.

De Germaanse volksverhuizingen zorgden voor heel wat discontinuïteit in de geschiedenis omdat ze:

a)

net zoals de Romeinen een tuniek droegen

b)

ze bekeken werden als ketters

c)

het Latijn gebruikten als cultuurtaal

d)

ze bekeken werden als heidenen

8.

Het Byzantijnse rijk kende heel wat machtige keizers. Ze gedroegen zich als "de uitverkorenen van God". Welk begrippen passen nu het beste bij die Byzantijnse keizers.

a)

Orthodox

b)

Caesarpapist

c)

theocraat

d)

kosmopolitische heersers

9.

Het christendom moest en zou de Germanen kerstenen. Plan was dat de geestelijke macht de wereldlijke macht zou helpen. Welke was de eerste bekeerde Germaanse leider?

a)

Karel de Grote

b)

Clovis/Chlodovech

c)

Karel Martel

d)

Pepijn de Korte

10.

De eerste kloosterordes werden gesticht. Hun leuze was:

a)

Bid, bid, bid!

b)

Bid en werk!

c)

Geen seks, geen eigendom en altijd gehoorzamen!

11.

Wie kwam eerst:

a)

De Karolingers

b)

De Merovingers

12.

De Germanen kenden een gewoonterecht. Onder Clovis werden de wetten echter opgeschreven. Wat is de oudste middeleeuwse wettekst?

a)

Lex Salica

b)

Codex Justinianus

c)

Magna Charta

13.

Karel Martel wordt een dikke vriend van de Kerk. Wat deed hij dan precies?

a)

Hij liet zich bekeren en kon zo het Frankische rijk oprichten.

b)

Hij won de slag bij Hastings in 732 en stopte zo de Myangaren en herenigde het Frankische rijk.

c)

Hij won de de slag bij Poitiers in 814 en hield zo de Arabieren tegen en herenigde het Frankische rijk.

d)

Hij won de slag bij Poitiers in 732, stopte de Arabieren en herenigde het Frankische rijk

14.

Welke stand in de Middeleeuwen was de hoogste stand?

a)

De adel

b)

De geestelijkheid

c)

De horigen

d)

De standen waren gelijk aan elkaar

15.
Wat dronken mensen in de middeleeuwen vaak?
a)
Bier en melk
b)
Bier en wijn
c)
Water en wijn
16.
Hoe heette het rijk van Karel de Grote?
a)
Romeinse Rijk
b)
Byzantijnse Rijk
c)
Frankische Rijk
d)
Gallisch Rijk
17.

De relatie tussen vorst en kerk verliep vaak met vallen en opstaan. Onder Karel de Grote zag de relatie er als volgt uit:

a)

de wereldlijke macht stond onder de geestelijke macht

b)

de geestelijke macht stond boven de wereldlijke macht

c)

de geestelijke macht en de wereldlijke macht stonden naast elkaar

d)

de geestelijke macht stond onder de wereldlijke macht

18.

Karel de Grote streefde naar een groot eenheidsrijk. Hij structureerde zijn rijk. Maar het rijk was te groot om het alleen te besturen. Hij bedacht het leenstelsel. Dit bestond uit:

a)

een centralisatiepolitiek met het lenen van adelijke titels.

b)

een decentralisatiepolitiek met het lenen van stukken grond die de leners uiteindelijk mochten behouden.

c)

een centralisatiepolitiek met het lenen van stukken grond die de leners wel moesten teruggeven.

d)

een decentralisatiepolitiek met het lenen van stukken grond die de leners wel moesten teruggeven.

19.

Karel de Grote werd beschouwd als de:

a)

suzerein

b)

de leenman

c)

de leenheer

d)

de vazal

20.
Waar of niet waar:
De leenmannen gingen hun grond als hun eigendom zien en het doorgeven aan hun zoons.
a)
Waar
b)
Niet waar
21.

Horigen zijn onvrije boeren

a)

Juist

b)

Niet juist

22.

Elke stand had rechten en plichten.

a)

De adel en de derde stand waren de geprivilegieerde standen: zij moesten vechten in dienst van God en moesten de kerkelijke domeinen beschermen.

b)

De adel en de clerus waren de geprivilegieerde standen: zij betaalden enkel tiendes: slechts 10% van hun inkomsten aan belastingen.

c)

De derde stand was de pineut, zij mochten enkel jagen en vissen op de woeste gronden maar moesten wel alle belastingen betalen!

d)

De clerus en adel waren de bevoorrechte standen: zij moesten geen belastingen betalen!

23.

De Vikingen veroverden Europa. In welke eeuw besloten zij dat het opzoeken van nieuwe oorden wel eens heel veel voordelen kon opleveren?

a)

11de eeuw

b)

8ste eeuw

c)

7de eeuw

d)

9de eeuw

24.

De Vikingen waren graag geziene klanten in Constantinopel. Welk kostbaar goed kochten zij daar aan?

a)

Slaven

b)

Amber

c)

Zijde

25.

De Vinkingen stierven een stille dood.

a)

Ze huwden met andere Europeanen

b)

Zij werden gechristianiseerd

c)

Zij zochten andere plekken in de wereld op zoals Amerika en vestigden zich daar

26.

Het ontstaan van de islam situeert zich in:

a)

In Mekka in 722

b)

In Medina in 732

c)

In Medina in 722

d)

In Medina in 732

27.
Wat is geen onderdeel van de Vijf Zuilen?
a)
Er is maar één god, Allah
b)
Geef aan armen en zieken
c)
Geen varkensvlees eten
d)
Bid vijfmaal per dag naar Mekka
28.
Waar of niet waar:
Sjiieten waren Moslims die geloofden dat Ali de ware opvolger van Mohammed was.
a)
Waar
b)
Niet waar
29.

de Reconquista was bedoeld om enkel de Arabieren uit Spanje te verdrijven.

a)

Ja

b)

Neen

30.
Waar ontstonden geen steden?
a)
Bij rivieren
b)
Bij kastelen
c)
Bij kruisingen
d)
Bij grenzen van landen
31.

Met de opkomst van de steden tijdens de volle middeleeuwen kwam er plaats voor een autarkische structuur op de domeinen buiten de steden.

a)

Juist

b)

Fout

32.

De eerste stedelingen waren:

a)

burgers

b)

poorters

c)

vrije boeren

d)

keures

33.

Handwerkslieden verenigden zich in ambachten of gilden. Zij hadden welke voornaamste taken:

a)

Erop toekijken dat enkel mensen met hetzelfde beroep met elkaar - huwden. Zo ontstonden heuse dynastieën.

b)

Erop toekijken dat enkel leden van het ambacht het werk mochten uitvoeren.

c)

Een vereniging waar regelmatig feesten werden gehouden.

d)

Een vereniging die de kwaliteit van het product moesten bewaken.

34.

het stadsbestuur bestond hoofdzakelijk uit

a)

patriciërs

b)

ambachtslieden

c)

de adel

d)

de clerus

35.

Centralisatiepolitiek betekent:

a)

dat de macht van centrale machthebbers naar lokale machthebbers gaat

b)

dat de macht van lokale machthebbers naar een centrale machthebber gaat

c)

dat de macht verdeeld wordt onder enkele centrale machthebbers

d)

dat de macht verdeeld wordt onder de lokale machthebbers

36.

Wat zijn de twee noodzakelijke pijlers van centralisatiepolitiek?

a)

Territoriale en religieuze eenheid

b)

Institutionele en religieuze eenheid

c)

Territoriale en institutionele eenheid

37.

De Magna Charta werd doorgevoerd in welk jaar?

a)

1250

b)

1214

c)

1215

d)

1054

38.

Tijdens de volle middeleeuwen kwamen vorst en kerk vaak met elkaar in conflict. Vaak ging dat over het benoemen van bisschoppen. Wat is het correct begrip hiervoor:

a)

centralisatie

b)

kerstening

c)

investituur

d)

theocratie

39.

In welk jaar riep de paus op tot de 1e kruistocht?

a)

1090

b)

1095

c)

1099

d)

1096

40.

Wat was geen reden om op kruistocht te gaan?

a)

Vrijheid voor lijfeigenen

b)

Een plekje in de hemel

c)

Rijkdom voor iedereen

d)

Het Oosters Schisma oplossen

41.

De actieve handel die stilletjes aan begon op te komen tijdens de volle middeleeuwen zorgde voor véél meer veiligheid want nieuwe handels- en betalingstechnieken zoals de wisselbrief werden ingevoerd.

a)

Juist

b)

Fout

42.
De Hanze was een samenwerking van:
a)
Noord-Europese steden
b)
Zuid-Europese steden
c)
Oost-Europese steden
d)
Italiaanse steden
43.

Wanneer begonnen de Late Middeleeuwen?

a)

Rond 1200

b)

Rond 1300

c)

Rond 1250

d)

Rond 1050

44.

De waanzinnige 14de eeuw wordt zo genoemd omdat:

a)

De Hondjarige Oorlog, de investituurstrijd en het Westers Schisma plaatsvond

b)

De Pest, het Oosters Schima en de Honderdjarige Oorlog plaatsvond

c)

De Pest, het Westers Schisma én de Honderdjarige Oorlog plaatsvond

d)

De Pest, de Honderdjarige Oorlog en het Concordaat van Worms plaatsvond.

45.

Wat is de begin- en einddatum van de Honderjarige Oorlog?

a)

1337-1437

b)

1315-1431

c)

1337-1453

46.

Welke twee koningshuizen stonden lijnrecht tegenover elkaar tijdens de Honderdjarige Oorlog?

a)

Plantagenet versus Capetingers

b)

Plantagenet versus Habsburgers

c)

Valois versus Capetingers

d)

Plantagenet versus Valois

47.

Geef een ander begrip voor 'machtsoverwicht hebben':

a)

Nationalisme

b)

Centralisatie

c)

Hegemonie

48.

De Gulden Sporenslag was een strijd tussen:

a)

De patriciërs, de Klauwaards en de ambachtslieden, de Leliaards

b)

De patriciërs, de Leliaards en de ambachtslieden de Klauwaards

c)

De Leliaards die de Graaf van Vlaanderen steunden en de Klauwaards die de Franse koning steunden

d)

De Klauwaards die de Graaf van Vlaanderen steunden en de Leliaards die de Franse koning steunden.

49.

De Vlaamse feestdag valt op:

a)

21 juli

b)

11 juli

c)

11 juni

50.

De Bourgondische hertogen waren leenheren van Frankrijk en het Heilig Roomse Rijk

a)

Juist

b)

Fout

51.

Maria van Bourgondië komt in nauwe schoentjes te staan wanneer de koning van Frankrijk aast op haar rijk. Ze roept de hulp in van de steden. Welk belangrijk document werd nu ondertekend?

a)

Het Privilegie, 1377

b)

Het Groot Privilegie, 1477

c)

De Magna Charta, 1377

d)

Het Groot Privilegie, 1377

52.
In welke bouwstijl is deze kerk
gebouwd?
a)
Gotische
b)
Romaanse
c)
Gotische en Romaanse
d)
Romeinse
53.
Waarom bleef de maker van religieuze kunst eerst anoniem en stonden pas vanaf de late middeleeuwen handtekeningen onder kunstwerken?
a)
Als er handtekeningen onder de kunstwerken stonden, zouden de makers veel te bekend worden, en de kerk wilde juist het aanzien behouden
b)
Er waren in die tijd maar weinig mensen die konden lezen en schrijven, dus een handtekening zetten konden mensen in die tijd ook vaak nog niet
c)
Het ging om de boodschap van de kunst. Het was niet de bedoeling dat de maker zocht naar persoonlijke erkenning van zijn kwaliteiten. Dit zou te ijdel zijn en dat paste niet in de cultuur van die tijd die werd beheerst door de kerk