wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

T4 M1 Grammatica (woordbenoemen)

Total questions: 15

Worksheet time: 8mins

Name
Class
Date
1.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

2.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

3.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

4.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

5.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op een middelbare school in Utrecht zijn alle leerlingen geslaagd.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

6.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

7.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

8.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

9.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

10.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

11.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

12.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

13.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

14.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)

15.

Benoem het onderstreepte woord in deze zin.


Op het rieten dak van het oude huis zat een wijze uil.

a)

Zelfstandig Naamwoord (ZN)

b)

Lidwoord (LW)

c)

Bijvoeglijk naamwoord (BN)