wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis Deel 3

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

C2

Jan bestudeert met behulp van een elektronenmicroscoop een bepaald menselijk weefsel. De cellen van dit weefsel hebben veel endoplasmatisch reticulum en ribosomen.


Wat kan de taak van deze cellen zijn?

a)

Het leveren van energie voor het samentrekken van spieren

b)

Het maken van speekseleiwitten

c)

Het opnemen van voedingsstoffen

d)

Het voortdurend vormen van nieuwe cellen

2.

C2

Welk onderdeel van de cel wordt aangegeven met nummer 9?

a)

Mitochondrium

b)

Ribosoom

c)

Golgi systeem

d)

Lysosoom

3.

C2

Wat is het hoofdbestanddeel van onderdeel 7?

a)

koolhydraten

b)

eiwitten

c)

fosfolipiden

d)

cellulose

4.

C2

Welk organel wordt aangegeven met nummer 6?

a)

Endoplasmatisch reticulum

b)

Celkern

c)

Golgi systeem

d)

Lysosoom

5.

A3

In de afbeelding staat een schema van de celcyclus.

In welke fase vindt DNA-replicatie plaats?

a)

G1-fase

b)

G2-fase

c)

S-fase

d)

M-fase

6.

A3

In de afbeelding staat een schema van de celcyclus.

In de G2-fase bevat een cel X ng DNA. Hoeveel DNA bevat één cel direct na de M-fase?

a)

X ng DNA

b)

2X ng DNA

c)

0,5X ng DNA

d)

4X ng DNA

7.

A3

De menselijk cel bevat 46 chromosomen. Hoeveel chromatiden bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

En hoeveel centromeren bevat een menselijke cel maximaal tijdens de mitose?

a)

92 chromatiden, 46 centromeren

b)

92 chromatiden, 92 centromeren

c)

46 chromatiden, 46 centromeren

d)

46 chromatiden, 23 centromeren

8.

A3

In de afbeelding wordt schematisch een celdeling weergegeven. Welke fase van welke deling is dit?

a)

S-fase van de celdeling

b)

M-fase van de celdeling

c)

Meiose I

d)

Meiose II

9.

B2

Welke bewering is of beweringen zijn juist?

1) één gen bezit de informatie voor de synthese van meerdere verschillende soorten eiwitten

2) voor een bepaalde eigenschap krijg je een allel van je vader en een allel van je moeder

a)

alleen bewering 1 is juist

b)

alleen bewering 2 is juist

c)

beide beweringen zijn juist

d)

beide beweringen zijn onjuist

10.

B2

Van een wilg worden 20 takken afgesneden en iedere tak wordt in een aparte pot gezet. Na enige tijd zijn 5 bij takken de bladeren kronkelig vervormd, terwijl bij de overige 15 takken de bladeren normaal gebleven zijn.

De beste verklaring hiervoor is dat

a)

het allel voor kronkelige bladeren recessief is

b)

het allel voor kronkelige bladeren tijdens dit experiment gemuteerd is

c)

voor de verschillende takken het milieu verschillend is

d)

de boom heterozygoot is voor de aanleg bladvorm, want er ontstaat een 3:1 verhouding

11.

B2

Twee individuen van dezelfde soort bezitten beide voor een bepaalde eigenschap hetzelfde fenotype.

Het ene individu is voor deze eigenschap homozygoot en het andere individu is heterozygoot.

Door de nakomelingen van bepaalde kruisingen te onderzoeken, kan worden bepaald welk individu homozygoot en welk individu heterozygoot is.


Welke van onderstaande kruisingen komt hiervoor het beste in aanmerking?

a)

Beide individuen worden enkele malen met elkaar gekruist

b)

Beide individuen worden elk gekruist met een willekeurig ander individu

c)

Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de dominante allelen

d)

Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de recessieve allelen

12.

B2

Men heeft een geraniumplant met bonte bladeren. Het allel voor bonte bladeren is dominant over dat voor egaal groene bladeren. Men wil meer van deze bont gekleurde geraniums kweken.


Bij welke van onderstaande methoden is de kans het grootst dat de nieuwe planten zulke bont gekleurde bladeren zullen hebben?

1. stekken van deze plant

2. zelfbestuiving van deze plant

3. kruisbestuiving met een andere plant met bonte bladeren.

a)

alleen methode 1

b)

alleen methode 2

c)

alleen methode 3

d)

zowel methode 2 als 3

13.

B1

Het is onderzoekers gelukt om andere organismen dan de mens, zoals muizen en varkens, mensen-hemoglobine te laten produceren, dat gebruikt kan worden bij de fabricage van kunstbloed.


Wat hebben de onderzoekers bij deze organismen veranderd om dit te bereiken?

a)

DNA

b)

bepaalde eiwitten

c)

hemoglobine

d)

ribosomen

14.

B1

Uit hoeveel DNA moleculen bestaat het chromosoom in de afbeelding?

a)

1

b)

2

c)

4

d)

8

15.

B1

In welk rijtje staan de woorden in juiste volgorde van klein naar groot?

a)

nucleotide - gen - DNA molecuul - chromosoom - genoom

b)

DNA molecuul - gen - nucleotide - chromosoom - genoom

c)

genoom - gen - nucleotide - DNA molecuul - chromosoom

d)

nucleotide - chromosoom - DNA molecuul - gen - genoom

16.

B1

Op een bepaald chromosoom ligt het gen voor het enzym mono-amine-oxydase-A (MAO-A). Dit enzym speelt een rol bij de normale afbraak van neurotransmitters, stoffen in de hersenen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen verzorgen. Er bestaat een genetisch defect dat de productie van het enzym MAO-A ontregelt. Gevolg daarvan zou zijn dat de stofwisseling van de neurotransmitters als serotonine, dopamine en noradrenaline in de hersenen verstoord is geraakt. Dit heeft weer tot gevolg dat er agressief gedrag optreedt. Dit agressieve gedrag treedt voornamelijk bij mannen op.

Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.


Een gen is een drager van erfelijke informatie.

Waarvan is een gen de code?

a)

DNA

b)

een eiwit

c)

RNA

d)

een aminozuur

17.

E4

Koolstofdioxide in een sparrenbos


Vlak boven de grond is de CO2-concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2 produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.


Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2 produceren?

a)

alleen reducenten

b)

alleen consumenten

c)

consumenten en reducenten

d)

producenten, consumenten en reducenten

e)

alleen producenten

18.

E5

Nitraatbacterien zetten….

a)

ammonium om in nitraat

b)

nitraat om in nitriet

c)

nitriet om in nitraat

d)

nitraat om in ammonium

19.

E5

Welke organismen zijn in staat om de stikstof uit nitraat op te nemen in organische verbindingen?

a)

alleen planten

b)

alleen dieren

c)

zowel planten als dieren

20.

E4

Bij welk proces komt CO2 en H2O vrij?

a)

assimilatie

b)

anaerobe dissimilatie

c)

aerobe dissimilatie

d)

alle genoemde processen