wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis Deel 4

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

A2

Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld.

Wat wordt aangegeven met nummer 4?

a)

celkern

b)

mitochondrium

c)

golgi systeem

d)

ribosoom

2.

A2

Kijk naar de afbeelding: Wat wordt aangegeven met nummer 2?

a)

celmembraan

b)

chloroplast

c)

Ruw Endoplasmatisch Recticulum (ER met ribosomen)

d)

mitochondrium

3.

A2

Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld.

Wat is het hoofdbestanddeel van nummer 7?

a)

cellulose

b)

fosfolipiden

c)

eiwitten

d)

koolhydraten

4.

A2

Onderdelen in een cel zijn:

1) ribosomen

2) zetmeelkorrel

3) celwand

4) grote vacuolen

Welke onderdelen komen alleen voor in plantaardige cellen en niet in dierlijke cellen?

a)

alleen 2 en 3

b)

alleen 3

c)

alleen 2, 3 en 4

d)

1, 2, 3 en 4

5.

A9

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water.

Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?

a)

ze zwellen op

b)

ze verschrompelen

c)

ze veranderen niet

d)

ze krijgen een grotere turgor

6.

A9

Een plantencel wordt in een oplossing gelegd. In de afbeelding zie je wat er met deze cel gebeurd na verloop van tijd.

Is de oplossing isotoon, hypertoon of hypotoon ten opzichte van de plantencel?

a)

isotoon

b)

hypertoon

c)

hypotoon

7.

A9

Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend.

In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid?

a)

1

b)

2

c)

3

8.

A9

Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water.

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?

a)

De osmotische waarde en turgor veranderen niet

b)

De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe

c)

De osmotische waarde en turgor nemen af

d)

De osmotische waarde en turgor nemen toe

9.

C1

De nucleotide-sammenstelling (basenvolgorde) van een DNA streng is:

TAC CGA TTA ACA CTT ATT

De basenvolgorde in het mRNA is dan:

a)

AUG GCU AAU UGU GAA UAA

b)

ATG GCT AAT TGT GAA TAA

c)

UTG GCT UUT TGT GUU TUU

d)

AUC CGU AAU UCU CAA UAA

10.

C1

Transgene organismen


Groeihormoon dat momenteel als geneesmiddel voor de mens wordt gebruikt, wordt op grote schaal gemaakt door bacteriën waaraan door genetische manipulatie menselijk DNA is toegevoegd. Dat geldt ook voor het hormoon insuline. Deze hormonen zijn zeer geschikt om via genetische manipulatie te worden geproduceerd, omdat ze beide tot een bepaalde groep stoffen behoren.


Tot welke van de volgende groepen stoffen behoren deze hormonen?

a)

eiwitten

b)

koolhydraten

c)

vetten

d)

mineralen

11.

C1

Een probleem voor de veehouders in Australië is sterfte onder het vee door het eten van bepaalde giftige bladeren. Dit treedt met name op in gebieden waar voedselschaarste heerst. Met behulp van genetische manipulatie zijn bacteriën uit het maagdarmkanaal van schapen, geiten en koeien voorzien van een gen voor een bepaald enzym. Dit enzym maakt de gifstof uit de bladeren onschadelijk. Plannen om een veldproef te doen met vee waaraan deze genetisch gemanipuleerde bacteriën zouden worden toegediend, werden door een adviescommissie afgekeurd. De commissie was bevreesd voor verspreiding van de gemanipuleerde bacteriën onder verwilderde geiten.


In de tekst staat "... een gen voor een bepaald enzym".

Hierover worden de volgende beweringen gedaan:

1 Bacteriën hebben geen kern en kunnen dus zonder genetische manipulatie geen eiwitten maken.

2 Het gen bestaat uit een eiwit dat het enzym maakt.

3 Het gen bevat de code voor het vormen van het enzym.


Welke van deze beweringen is of zijn juist?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

alleen 2 en 3

e)

alleen 1 en 2

12.

C1

Gegeven is de volgende mRNA:


AUG CGC CAU UAU AAG UGA


Uit welke aminozuren bestaat het gevormde stukje eiwit?

a)

met-arg-his-tyr-lys-stop

b)

start-arg-his-tyr-lys

c)

met-arg-his-tyr-lys

d)

arg-his-tyr-lys

13.

C2

Onder de inwoners van het afgelegen Italiaanse bergdorpje Limone aan het Gardameer bevindt zich een groep van 46 mensen met een variant van HDL die vet (en daarmee cholesterol) sneller afvoert naar de lever dan normale HDL. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij een voorouder uit de 18e eeuw een verandering in een gen voor een HDL-eiwit moet zijn opgetreden. Het dorpje lag lange tijd zeer geïsoleerd. Tot 1932 was er geen weg naar andere dorpen.


Hoe noem je zo'n verandering in een gen?

a)

mutatie

b)

genetische modificatie

c)

biotechnologie

d)

diploïd

14.

C2

Ook onder invloed van andere factoren dan bepaalde ultraviolette stralen kan bij de mens kanker ontstaan. Over het ontstaan van kanker wordt een aantal beweringen gedaan:


1 Radioactieve straling kan leiden tot verandering in de volgorde van de bouwstenen van het DNA waardoor kanker kan ontstaan.

2 Bepaalde chemische stoffen kunnen mutaties in het DNA veroorzaken waardoor kanker kan ontstaan.

3 Een gezonde cel kan door contact met een kankercel zelf in een kankercel veranderen.


Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

alleen 1 en 2

e)

alleen 2 en 3

15.

C2

Welk bewering over kanker en mutaties in het DNA is juist?

a)

Kanker veroorzaakt mutaties zodat de regeling van de celdeling niet goed verloopt

b)

Er is geen verband tussen mutaties en kanker want kanker wordt veroorzaakt door carcinogene stoffen

c)

Door kanker neemt het aantal mutaties toe zodat er een grotere kans is op een tumor

d)

Door mutaties kan kanker ontstaan

16.

C2

Hieronder staat de sequentie van een stuk RNA:


AUG CUU ACU GUG


Dit codeert voor de volgende aminozuren:


Met Leu Thr Val


Wat gebeurt er met het eiwit als de derde U van het RNA verandert in een G?

a)

niets

b)

er komt een ander aminozuur in het eiwit

c)

het eiwit wordt korter

d)

het eiwit wordt langer

17.

E7

Een belangrijk prooidier van de torenvalk is de woelmuis. Woelmuizen laten in hun leefgebied geursporen achter die bestaan uit urine en uitwerpselen. De achterste delen van hun lichaam zijn meestal doorweekt met urine. De urine van de woelmuizen weerkaatst UV-licht. Torenvalken kunnen in tegenstelling tot mensen UV-licht waarnemen. Verondersteld wordt dat torenvalken daardoor in korte tijd een groot gebied onderzoeken op de aanwezigheid van woelmuizen.


Welke van de onderstaande biologische termen is van toepassing op de relatie tussen torenvalk en woelmuis?

a)

predatie

b)

symbiose

c)

competitie

d)

autotroof

18.

E7

Een voorbeeld van een merkwaardige worm: "Riftia pachyptila". Dit dier is een meter lang en het heeft geen mond, ingewanden of anus. Wel bezit het een merkwaardig orgaan dat van veel bloedvaten voorzien is. Dit orgaan wordt trofosoom genoemd. In het trofosoom verblijven zeer veel sulfideafbrekende bacteriën: 35% van het gewicht van het trofosoom wordt gevormd door deze bacteriën.


Deze bacteriën voorzien Riftia van voedingsstoffen en worden door Riftia weer van zuurstof en sulfide voorzien.

Welk type relatie is het meest waarschijnlijk tussen Riftia en de bacteriën?

a)

mutualisme

b)

commensalisme

c)

parasitisme

d)

competitie

e)

predatie

19.

E7

Bilharzia is een ziekte die in (sub)tropische landen voorkomt. De ziekte wordt veroorzaakt door Schistosoma-wormpjes. Deze wormpjes hebben een levenscyclus met als gastheren de mens en bepaalde zoetwaterslakken. De infectie vindt plaats via het water van rivieren en kanalen. Zie bron 1 met de toelichting hieronder. Door aanleg van irrigatiekanalen voor onder andere rijstvelden breidt de ziekte zich uit. Men bestrijdt de ziekte met chemische bestrijdingsmiddelen die slakken doden.


In het lichaam van de mens leggen de Schistosoma-wormpjes (1) per dag duizenden eitjes, die met de urine en de ontlasting (2) in het water kunnen terechtkomen. Wanneer deze eitjes in het water terechtkomen, ontstaan daaruit larven (3, 4 en 5) die zoetwaterslakken (6) binnendringen. In de slak gaat deze larve over in een ander larvaal stadium. In dit stadium verlaat de larve het lichaam van de slak (7) en dringt via de huid het lichaam van een mens binnen. Daar groeit hij weer uit tot een volwassen worm (1).


Welke relatie bestaat er tussen Schistosoma en de mens?

a)

parasitisme

b)

predatie

c)

mutualisme

d)

commensalisme

20.

E7

Door van bloem naar bloem te vliegen, zorgen bijen voor de bestuiving. Daarbij verzamelen ze nectar, waar ze honing van kunnen maken.


Deze manier van samenleven is een voorbeeld van

a)

mutualisme

b)

commensalisme

c)

parasitisme

d)

predatie