wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Inleiding: wat is chemie?

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het smelten van ijs

a)

Chemisch

b)

Fysisch

2.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het drogen van een handdoek

a)

Chemisch

b)

Fysisch

3.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het bakken van brood

a)

Chemisch

b)

Fysisch

4.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het maken van deeg (mengen van bloem, water en gist)

a)

Chemisch

b)

Fysisch

5.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het gisten van deeg

a)

Chemisch

b)

Fysisch

6.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Water dat opstijgt in een stukje krijt

a)

Chemisch

b)

Fysisch

7.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het rotten van een appel

a)

Chemisch

b)

Fysisch

8.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het bleken van wasgoed met javel

a)

Chemisch

b)

Fysisch

9.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het karamelliseren van suiker

a)

Chemisch

b)

Fysisch

10.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het branden van papier

a)

Chemisch

b)

Fysisch

11.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het openen van een fles bruisend water

a)

Chemisch

b)

Fysisch

12.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het ontvetten van glas d.m.v alcohol

a)

Chemisch

b)

Fysisch

13.

Is het verschijnsel chemisch of fysisch?

Het gloeien van ijzer

a)

Chemisch

b)

Fysisch

14.

Wat is het essentiële verschil tussen een voorwerp en een stof?

a)

"Voorwerp" gebruiken we voor de fysische eigenschappen weer te geven. "Stof" gebruiken we voor de chemische eigenschappen te beschrijven

b)

"Voorwerp" gebruiken we voor de chemische eigenschappen weer te geven. "Stof" gebruiken we voor de fysische eigenschappen te beschrijven

c)

"Stof" gebruiken we voor de fysische eigenschappen weer te geven. "Voorwerp" gebruiken we voor de chemische eigenschappen te beschrijven

15.

Wat is het verschil tussen een zuivere stof en een mengsel?

a)

Een zuivere stof is helder, een mengsel is troebel

b)

Een zuivere stof bevat meerdere soorten deeltjes, een mengsel bevat 1 soort deeltjes

c)

Een zuivere stof bevat 1 soort deeltjes, een mengsel bevat meerdere soorten deeltjes

16.

Geef het verschil tussen kristallijne en amorfe stoffen

a)

Kristallijne stoffen vormen kristallen, amorfe stoffen vormen geen kristallen

b)

Kristallijne stoffen vormen een glad oppervlak, amorfe stoffen hebben een grillig oppervlak

c)

Kristallijne stoffen vormen geen kristallen, amorfe stoffen vormen wel kristallen

d)

Kristallijne stoffen vormen een grillig oppervlak, amorfe stoffen hebben een glad oppervlak

17.

Wat is een voorbeeld van een kristallijne stof?

a)

Houtskool

b)

Diamant

18.

Wat verstaan we onder de oplosbaarheid van een stof?

a)

De mate waarin een stof opgelost kan worden in een andere stof

b)

De hoeveelheid stof die we kunnen oplossen in water

c)

De kans dat een stof oplost in een andere stof

19.

Hoe verlopen de Brownse bewegingen bij een gas?

a)

De deeltjes kunnen moeilijk bewegen

b)

De deeltjes bewegen in een zigzag-vorm

c)

De deeltjes bewegen vrij en ongecontroleerd

20.

Wat verstaan we onder cohesie?

a)

De aantrekkingskracht van deeltjes van een verschillende soort

b)

De aantrekkingskracht van deeltjes van dezelfde soort

c)

De aantrekkingskracht van deeltjes die aangetrokken worden aan de buitenkant van een andere stof