Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis deel 5

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

A1

Het organisme op de afbeelding doet aan fotosynthese, is ééncellig en bevat een celkern.

Dit organisme is een

a)

dier

b)

plant

c)

bacterie

d)

schimmel

2.

A1

De celbouw van verschillende soorten micro-organismen wordt met elkaar vergeleken.

Welke organismen hebben een celkern?

a)

algen en bacteriën

b)

algen en gisten

c)

gisten en bacteriën

d)

algen, gisten en bacteriën

3.

A1

Op de hoofdhuid bevinden zich allerlei micro-organismen.

Bij een onderzoek naar de oorzaak van roos worden enkele roosschilfertjes onderzocht met behulp van een microscoop. Op de schilfertjes zijn gistcellen en bacteriën te zien.


Heeft een gistcel een celwand? En heeft een gistcel een kern? Geldt dat ook voor een bacterie?

a)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben beide niet.

b)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben beide ook

c)

Gist heeft geen celwand, wel een celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern

d)

Gist heeft wel een celwand, maar geen celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern.

e)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern.

4.

A1

Bij welk van onderstaande organismen bevatten de cellen geen mitochondriën?

a)

bacteriën

b)

schimmels

c)

planten

d)

dieren

5.

B3

Twee uitspraken:


Uitspraak 1: Het hebben van een erfelijke ziekte is een voorbeeld van een fenotype

Uitspraak 2: Het fenotype is altijd hetzelfde als het genotype

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

6.

B3

Op welk moment ontstaat het genotype van een mens?

a)

bij de geboorte

b)

bij de bevruchting

c)

door invloed van milieuomstandigheden

d)

op het moment dat het fenotype is bepaald

7.

B3

Van organismen die gekloond zijn kan men in het algemeen zeggen dat:

a)

de fenotypen en de genotypen onderling altijd gelijk zijn

b)

de fenotypen onderling altijd gelijk zijn

c)

de genotypen onderling gelijk zijn, maar de fenotypen kunnen verschillen

d)

de fenotypen onderling gelijk zijn, maar de genotypen onderling verschillen

8.

B3

Men vergelijkt de naalden aan één spar. De naalden zijn niet allemaal even lang.

Is bij een korte naald het fenotype anders dan bij een lange naald? En het genotype?

a)

Alleen het genotype is anders

b)

Alleen het fenotype is anders

c)

Zowel het fenotype als genotype zijn anders

d)

Fenotype en genotype zijn bij beide gelijk

9.

C3/4

In de onkruidbestrijding bestaat een nieuwe techniek. Men heeft transgene planten ontwikkeld van bijvoorbeeld maïs en suikerbiet, waarin een speciaal gen is ingebouwd.

Door dit gen zijn deze planten resistent tegen een bepaald bestrijdingsmiddel. Dit bestrijdingsmiddel doodt het onkruid dat op de akker groeit, maar doodt de transgene planten niet.


Hoe worden transgene planten ook genoemd?

a)

natuurlijk geselecteerde planten

b)

genetisch gemodificeerde planten

c)

autotrofe planten

d)

parasiterende planten

10.

C3/4

Wat gebeurt er bij recombinant-DNA-techniek?

a)

Twee verschillende organismen wisselen via plasmiden stukjes DNA uit zodat er nieuwe combinaties ontstaan

b)

Een deel van het DNA van een organisme wordt in een ander organisme gebracht

c)

Door het enzym reverse transcriptase wordt RNA omgezet in DNA. Dit DNA heeft een andere combinatie van genen

d)

Een plasmide van een bacterie wordt overgebracht in een andere cel

11.

C3/4

Transgene maïsplanten


Maïs is een belangrijk voedselgewas. Door jarenlange veredeling via kruising en selectie zijn de maiskolven steeds groter en voedzamer geworden. Een nadeel van deze veredelingsmethode is dat deze zeer veel tijd kost. Een ander nadeel is dat niet elk gewenst resultaat kan worden bereikt. Het verhogen van de weerstand tegen insectenvraat bleek bij maïsplanten via kruising en selectie niet te lukken. Hiervoor worden de volgende verklaringen bedacht:


1 Doordat maïsplanten door de wind worden bestoven, vindt overdracht van genen willekeurig plaats.

2 Een gen dat weerstand geeft tegen insectenvraat komt bij maïs van nature niet voor.


Kan 1 een juiste verklaring zijn voor het feit dat het verhogen van de weerstand van maïsplanten niet lukte via kruising en selectie? En 2?

a)

geen van beide verklaringen

b)

alleen verklaring 1

c)

alleen verklaring 2

d)

beide verklaringen

12.

C3/4

Gloeivissen (zie de afbeelding) zijn genetisch gemodificeerde zebravissen die in hun DNA een gen hebben dat afkomstig is van kwallen. Hierdoor maken zij een fluorescerend eiwit dat er bij wit of ultraviolet licht voor zorgt dat de vis oplicht in een bepaalde kleur.


Welke eigenschap van DNA zorgt ervoor dat het DNA tussen kwallen en zebravissen kan worden uitgewisseld?

a)

DNA is bij alle organismen hetzelfde opgebouwd; het heeft dezelfde vier nucleotiden

b)

Bij kwallen bevat het DNA meer nucleotiden C en A, bij vissen meer G en T

c)

DNA is enkelstrengs

d)

DNA is opgebouwd uit eiwitten

13.

E2

Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?

a)

Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem

b)

Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap

c)

Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem

d)

Populatie - individu - levensgemeemschap - ecosysteem

14.

E2

Op een open plek waar bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgeroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.

Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, staan hieronder 2 stellingen:


Stelling 1: De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie.

Stelling 1: De veranderingen in de plantengroei op die plek zijn uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren.


Welke van de stellingen is juist?

a)

alleen stelling 1

b)

alleen stelling 2

c)

beide stellingen zijn juist

d)

beide stellingen zijn onjuist

15.

E2

Wat is een voorbeeld van een populatie?

a)

Alle konijnen op Schiermonnikoog

b)

De beplanting in een naaldbos

c)

Alle organismen in een vijver

d)

Een leeuwin met haar 2 welpen op de Savanne

16.

E2

Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.


Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.

Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.

Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.

Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.


Welke leerling geeft een juist voorbeeld?

a)

leerling 1

b)

leerling 2

c)

leerling 3

d)

leerling 4

17.

F1

Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.

Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?

a)

niets

b)

een glas water

c)

een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje (zonder asparine)

d)

een vergelijkbaar tabletje zonder asparine

18.

F1

Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.


Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:


1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.

2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.

3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.

4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.

5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.

6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.


Welke stap is de hypothese?

a)

1

b)

2

c)

3

d)

4

e)

5

19.

F1

Twee soorten vogels zijn de alk en de zeekoet. Beide soorten nestelen op rotswanden aan zee. Alken nestelen apart in holten in de rots of in kleine grotten. Zeekoeten maken met grote aantallen tegelijk hun nesten op richels. Beide soorten zijn viseters en zolang de jongen in het nest verblijven, voeren de ouders de jongen met vis.


Tekening 1 toont een alk met jong bij het voeren. De ouder staat met een aantal vissen in de snavel en het jong pikt de vissen er één voor één uit.

Tekening 2 toont een zeekoet met jong bij het voeren. De ouder buigt zich over het jong en laat een vis met de staart naar voren uit zijn snavel glijden. Het jong pakt de vis, draait hem om en slikt hem, de kop eerst, naar binnen. Deze manier van voeren is waarschijnlijk een aanpassing aan het nestelen op overvolle rotswanden.


Onderzoekers legden eieren van een alk in het nest van een zeekoet. Na enige tijd bleken de jonge alken die uit deze eieren kwamen, te zijn gestorven door ondervoeding, hoewel de zeekoeten ze wel probeerden te voeren.


Wat is een geschikte controlegroep of blancoproef voor dit onderzoek?

a)

Een nest met zeekoeteieren en zeekoetouders

b)

Een nest met zeekoeteieren en alkenouders

c)

Een nest van een alk zonder eieren

d)

Een nest van een zeekoet zonder eieren

20.

F1

Een wetenschapper doet onderzoek naar de ontwikkeling van planten. Hij kijkt daarbij of een plant beter groeit als er meer water wordt gegeven.

Welk van onderstaande voorbeelden is het beste voorbeeld van een onderzoeksvraag bij dit onderzoek?

a)

Groeit een plant beter bij meer water?

b)

In welke mate is water een beperkende factor voor de ontwikkeling van planten?

c)

Planten hebben water nodig voor de groei. Wat is het effect van watertekort?

d)

Hoeveel water is nodig voor de ontwikkeling van planten?