NEW
Font size
WorksheetsKennisbasis Domein D E F
Total questions: 36
Worksheet time: 18mins
D1
Lees het artikel in de afbeelding.
McGraw heeft geconstateerd dat de oude zaden andere genen bezitten dan nauw verwante soorten die nu leven.
Enkele factoren die een rol spelen in ecosystemen, zijn:
1 mutaties,
2 concurrentie,
3 veranderingen van abiotische factoren.
Welke van deze factoren kunnen hebben bijgedragen tot het ontstaan van een verschil in genensamenstelling tussen de "levende fossielen" en de tegenwoordige planten?
alleen factor 1 en 2
alleen factor 2 en 3
alleen factor 1 en 3
factor 1, 2 en 3
D1
Er is een populatie dieren waarvan het aantal in elke generatie gelijk blijft. In deze populatie treedt een erfelijke verandering op, waardoor een bepaald dominant allel ontstaat. Dit dominante allel heeft tot gevolg dat de drager ervan gemiddeld 1 % meer nakomelingen krijgt dan een individu dat dit allel niet heeft. Dit allel komt aanvankelijk voor bij 0,1 % van de individuen. De grafieken in bron 1 geven weer hoeveel procent van de populatie dit allel bezit na een aantal generaties.
Hoe noemt men het proces waarbij individuen met het beschreven dominante allel een steeds groter percentage van de populatie gaan uitmaken?
natuurlijke selectie
modificatie
mutatie
successie
D1
Twee uitspraken over het ontstaan van nieuwe soorten:
Uitspraak 1: Er is sprake van twee nieuwe soorten als twee groepen organismen niet meer in staat zijn onderling voort te planten
Uitspraak 2: Bij het ontstaan van nieuwe soorten is het belangrijk dat een groep organismen geisoleerd raakt van een andere groep soortgenoten
Alleen uitspraak 1 is juist
Alleen uitspraak 2 is juist
Beide uitspraken zijn juist
Beide uitspraken zijn onjuist
D1
Een groot aantal individuen van een bepaalde insectensoort heeft zich vanaf het jaar 1800 verspreid over vier eilanden (zie afbeelding 8). Tussen de eilanden vindt geen uitwisseling plaats van individuen.
Van de eilanden is het volgende bekend
– De eilanden 1, 2, 3 en 4 liggen op dezelfde afstand van de kust.
– De eilanden 1, 3 en 4 zijn wat betreft begroeiing en weersomstandigheden vergelijkbaar met het vasteland.
– Eiland 2 is rotsig en kaal, terwijl de eilanden 1, 3 en 4 begroeid zijn.
– Bij de pijlen staan de jaartallen waarop de insecten zich hebben gevestigd op dat eiland.
Op welk eiland zijn de verschillen in genotypen het grootst tussen de individuen van de nieuwe en van de oorspronkelijke insectenpopulaties?
eiland 1
eiland 2
eiland 3
eiland 4
D2
Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten'.
Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?
De individuen bij wie de verhouding oppervlakte/inhoud het grootst is.
De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.
De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.
De individuen die het langste leven.
De individuen van de soorten die boven in de voedselpiramide staan.
D2
Als een populatie te klein wordt, neemt de overlevingskans van de populatie sterker af dan op grond van het probleem van paarvorming mag worden verwacht.
Waardoor neemt de kans op overleven af als de populatie kleiner wordt?
een kleine populatie heeft een kleine genetische variatie
een kleine populatie heeft meer emigratie dan immigratie
een kleine populatie is een eenvoudige prooi voor roofdieren
een kleine populatie wordt makkelijk weggeconcurreerd
D2
In een bepaalde populatie komen ongeveer evenveel slakken met lichtgekleurde huisjes voor als slakken met donkergekleurde huisjes. De kleur van de huisjes is erfelijk bepaald. Door een verandering in de omgeving wordt de ondergrond waarop ze leven donkerder. Vogels eten daardoor slakken met lichte huisjes eerder op dan die met donkere. Na een paar generaties blijken er in die populatie bijna geen slakken met lichte huisjes meer te zijn.
Is er in deze populatie sprake van selectie?
nee
ja, van natuurlijke selectie
ja, van kunstmatige selectie
D2
In de afbeelding is de evolutie van het geslacht Equus (paard) weergegeven Het oudst bekende paard dat beschreven is, is altijd ingedeeld bij de onevenhoevigen. In het Tertiair had het paard Eohippus aan de voorste ledematen vier en aan de achterbenen drie tenen, nu hebben de paarden nog slechts één teen, aan zowel voor- als achterbenen.
Over deze ontwikkeling worden twee beweringen gedaan:
I De vegetatie veranderde. Om zich snel te kunnen verplaatsen moesten de paarden hun tenen dicht bij elkaar houden. Daardoor vergroeiden deze tenen tot één teen. Omdat dit voordeel had, werden hun nakomelingen met één teen geboren.
II De vegetatie veranderde. Hierdoor kregen mutanten met minder tenen een grotere kans om zich in deze veranderde vegetatie te handhaven. Deze mutanten konden een grotere snelheid ontwikkelen en daardoor succesvol vluchten voor hun vijanden. Uiteindelijk heeft dit geleid tot paarden met slechts één teen.
Welk of welke van de bovengenoemde beweringen is of zijn volgens de evolutie theorie van Darwin juist?
bewering I en II zijn beide juist
alleen bewering I is juist
alleen bewerking II is juist
bewerking I en II zijn beide onjuist
D3
In de afbeelding is een evolutionaire stamboom te zien van zowel een aantal uitgestorven als van nu nog levende katachtigen.
Welke nu nog levende katachtige is volgens deze stamboom het meest verwant aan de Poema?
de Cheeta
de Europese Lynx
de Huiskat
de Jaguar
D3
In de afbeelding wordt de ontwikkeling van varkensachtige weergegeven volgens de evolutietheorie.
Hoeveel soorten varkensachtigen waren er aan het eind van het oligoceen?
3
5
7
9
D3
Bart vindt op internet een stamboom die de afstamming weergeeft van apen en halfapen volgens de evolutietheorie (zie afbeelding).
Aan welke groep zijn de gorilla's het meest verwant volgens de stamboom?
Chimpansees
Gibbons
Oerang-oetans
Halfapen
D3
In welke periode was, volgens de afbeelding, het grootste aantal amfibieën aanwezig?
het Devoon
het Carboon
het Jura
het Neozoïcum
E2
Ecologie kun je bestuderen op verschillende niveaus. In welk rijtje staan ze op de juiste manier van klein naar groot?
Individu - levensgemeenschap - populatie - ecosysteem
Individu - populatie - ecosysteem - levensgemeenschap
Individu - populatie - levensgemeenschap - ecosysteem
Populatie - individu - levensgemeemschap - ecosysteem
E2
Op een open plek waar bomen zijn gekapt, zullen mossen een deel van de bodem bedekken en er zullen zaden ontkiemen. Kleine éénjarige plantensoorten zoals Vogelmuur en Klein springzaad zullen binnen een paar maanden op de onbegroeide plek groeien. Na verloop van tijd groeien er ook grotere plantensoorten zoals Gewoon vingerhoedskruid en Wilgeroosje. Na enkele jaren zullen deze plantensoorten verdrongen zijn door struiken en bomen. Onder de bomen en struiken groeien dan bijvoorbeeld varens en Dalkruid.
Over de beschreven veranderingen in de plantengroei op de plek waar de bomen zijn gekapt, staan hieronder 2 stellingen:
Stelling 1: De beschreven veranderingen in de plantengroei op die plek zijn een voorbeeld van successie.
Stelling 1: De veranderingen in de plantengroei op die plek zijn uitsluitend een gevolg van veranderingen in biotische factoren.
Welke van de stellingen is juist?
alleen stelling 1
alleen stelling 2
beide stellingen zijn juist
beide stellingen zijn onjuist
E2
Wat is een voorbeeld van een populatie?
Alle konijnen op Schiermonnikoog
De beplanting in een naaldbos
Alle organismen in een vijver
Een leeuwin met haar 2 welpen op de Savanne
E2
Aan vier leerlingen wordt gevraagd een voorbeeld te noemen van een ecosysteem. Zij geven de volgende voorbeelden.
Leerling 1: alle abiotische factoren in een bepaald heidegebied.
Leerling 2: alle dieren die in Nederland leven, in samenhang met de plantengroei.
Leerling 3: alle eekhoorns in een loofbos, in samenhang met de bomen.
Leerling 4: alle organismen die in een bepaald meertje leven, in samenhang met de abiotische factoren.
Welke leerling geeft een juist voorbeeld?
leerling 1
leerling 2
leerling 3
leerling 4
E3
Vale gieren leven in warme, droge streken en in de bergen. De vale gier komt normaal nooit in Nederland. Door een te kort aan voedsel had in juli 2007 een groep het oorspronkelijke woongebied, Spanje, verlaten. Sinds enige tijd is het door een Europese wet verboden om dood vee op het land te laten liggen. In Spanje was dit wel de gewoonte. De kadavers werden dan opgeruimd door onder andere vale gieren. Deze dieren moeten nu op andere plaatsen hun voedsel zoeken.
Het verblijf van deze gieren in Nederland was van korte duur. Vrij snel vertrokken ze weer naar onze zuiderburen. De aanleiding daartoe was een daling van de temperatuur in Nederland.
In de tekst worden verschillende factoren genoemd voor het trekgedrag van de gieren.
-Door welk type factor verlieten deze gieren Spanje?
-Door welk type factor vlogen ze weg uit Nederland?
uit Spanje: abiotisch; uit Nederland: abiotisch
uit Spanje: abiotisch; uit Nederland: biotisch
uit Spanje: biotisch; uit Nederland: abiotisch
uit Spanje: biotisch; uit Nederland: biotisch
E3
De grutto is een weidevogel. Het beheer van weilanden waarin de grutto's nestelen is de laatste jaren regelmatig onderwerp van discussie tussen boeren en natuurbeheerders.
Sinds 1900 nam het aantal grutto's in ons land toe. Een aantal factoren die daarbij een rol gespeeld hebben zijn:
1 grondwaterpeil
2 stalmest
3 grasland
Welke van deze factoren is of welke van deze factoren zijn biotisch?
alleen 1
alleen 2
alleen 3
zowel 1 als 3
zowel 2 als 3
E3
Welk van onderstaande factoren is biotisch?
predatoren
CO2 gehalte in de lucht
grondsoort
wind
E3
Welk van onderstaande factoren is abiotisch?
voedselaanbod
ziekteverwekkers
reducenten
zuurgraad bodem
E4
Koolstofdioxide in een sparrenbos
Vlak boven de grond is de CO2-concentratie gemiddeld het grootst. Dit komt mede doordat organismen of delen van organismen in de bodem CO2 produceren. Organismen kunnen worden ingedeeld in drie groepen: consumenten, producenten en reducenten.
Tot welke van deze groepen behoren de organismen die in de bodem CO2 produceren?
alleen reducenten
alleen consumenten
consumenten en reducenten
producenten, consumenten en reducenten
alleen producenten
E4
Bij welk proces komt CO2 en H2O vrij?
assimilatie
anaerobe dissimilatie
aerobe dissimilatie
alle genoemde processen
E4
Bij de verbranding van fossiele brandstoffen komt er extra koolstof in de koolstofkringloop.
In welke moleculen komt die extra koolstof in de kringloop?
koolstofdioxide
glucose
stikstofdioxide
fijnstof
E4
Welk van onderstaande moleculen bevat GEEN koolstof (C) atoom?
insuline
fosfolipide
vitamine A
ammoniak
alcohol
E5
Het Victoriameer, dat ruim een miljoen inwoners van Kenya, Tanzania en Oeganda van vis voorziet, is stervende.
Een deel van de bodem van het ondiepe meer is bedekt met een laag rottende algen.
Oorzaak daarvan is onder andere de ongelimiteerde lozing van mineralen (fosfaten en nitraten) in dit meer, waardoor een keten van gebeurtenissen op gang is gebracht.
Een andere ecologische ramp wordt veroorzaakt door een drijvende plant, de waterhyacint, die zich geweldig heeft uitgebreid. De waterhyacint vormt tapijten op het water.
De algen die een deel van de bodem van het meer bedekken, hebben zich daarvóór zeer sterk vermeerderd.
Waardoor vermeerderden de algen zich aanvankelijk zo sterk na de lozing van nitraten en fosfaten?
doordat de fosfaten en nitraten giftig waren voor algen-etende organismen
doordat fosfaten en nitraten vóór de lozing beperkende factoren waren voor de algen
doordat de tolerantiegrenzen van de algen veranderden door de fosfaten en nitraten
E5
Stikstof wordt door een plant vooral gebruikt om daarmee een bepaald type organische stoffen op te bouwen (assimilatie)
Welke stof is dat?
koolhydraten
vetten
eiwitten
mineralen
E5
Is voor nitrificatie van nitrificerende bacterien zuurstof nodig? En voor denitrificatie?
alleen voor denitrificatie
alleen voor nitrificatie
voor zowel denitrificatie als nitrificatie
niet voor denitrificatie en niet voor nitrificatie
E5
Wat is waar over stikstofbindende bacterien?
zetten ammonium om in N2
zetten ammoniak om in ammonium
zetten N2 om in ammonium
zetten N2 om in nitraat
E6
In de afbeelding zie je een voedselweb. Uit hoeveel organismen bestaat de langste voedselketen?
3
4
5
6
E6
In de afbeelding zijn de relaties tussen producenten, consumenten en reducenten schematisch weergegeven.
Op een bepaald moment wordt het water van een sloot vervuild met organische stoffen.
Zal daardoor als eerste een toename optreden van het aantal consumenten, van het aantal producenten of van het aantal reducenten in deze sloot?
consumenten
producenten
reducenten
E6
De leeuw in de afbeelding is een...
consument 1e orde
consument 2e orde
producent
reduceert
E6
Welke groep in de pyramide zijn planteneters?
Producenten
Consumenten 1e orde
Consumenten 2e orde
Consumenten 3e orde
F1
Een wetenschapper doet onderzoek naar de ontwikkeling van planten. Hij kijkt daarbij of een plant beter groeit als er meer water wordt gegeven.
Welk van onderstaande voorbeelden is het beste voorbeeld van een onderzoeksvraag bij dit onderzoek?
Groeit een plant beter bij meer water?
In welke mate is water een beperkende factor voor de ontwikkeling van planten?
Planten hebben water nodig voor de groei. Wat is het effect van watertekort?
Hoeveel water is nodig voor de ontwikkeling van planten?
F1
Twee soorten vogels zijn de alk en de zeekoet. Beide soorten nestelen op rotswanden aan zee. Alken nestelen apart in holten in de rots of in kleine grotten. Zeekoeten maken met grote aantallen tegelijk hun nesten op richels. Beide soorten zijn viseters en zolang de jongen in het nest verblijven, voeren de ouders de jongen met vis.
Tekening 1 toont een alk met jong bij het voeren. De ouder staat met een aantal vissen in de snavel en het jong pikt de vissen er één voor één uit.
Tekening 2 toont een zeekoet met jong bij het voeren. De ouder buigt zich over het jong en laat een vis met de staart naar voren uit zijn snavel glijden. Het jong pakt de vis, draait hem om en slikt hem, de kop eerst, naar binnen. Deze manier van voeren is waarschijnlijk een aanpassing aan het nestelen op overvolle rotswanden.
Onderzoekers legden eieren van een alk in het nest van een zeekoet. Na enige tijd bleken de jonge alken die uit deze eieren kwamen, te zijn gestorven door ondervoeding, hoewel de zeekoeten ze wel probeerden te voeren.
Wat is een geschikte controlegroep of blancoproef voor dit onderzoek?
Een nest met zeekoeteieren en zeekoetouders
Een nest met zeekoeteieren en alkenouders
Een nest van een alk zonder eieren
Een nest van een zeekoet zonder eieren
F1
Sabrina doet een onderzoek over de invloed van de zuurgraad van de bodem op het ontkiemen van tuinkerszaden.
Dit onderzoek kan men in vijf stappen delen. In willekeurige volgorde zijn deze stappen:
1) Sabrina verwacht dat zaden van tuinkers bij een lagere en hogere Ph slechter zullen ontkiemen dan bij een neutrale pH.
2) Sabrina laat 20 zaadjes van tuinkers ontkiemen bij pH 6 en 25 zaadjes bij pH 7 en 25 zaadjes bij pH 8.
3) Sabrina stelt vast dat bij pH 8 maar 4 zaadjes van tuinkers ontkiemen, bij pH 6 maar 8 en bij pH 7 zijn dat er 22.
4) Sabrina leest in een boek dat voor het ontkiemen van zaden de pH neutraal moet zijn.
5) Sabrina vraagt zich af of bij een lagere en hogere zuurgraad minder zaadjes van tuinkers ontkiemen dan bij een neutrale pH.
6) Sabrina concludeert dat pH 7 inderdaad de ideale zuurgraad is voor de ontkieming van tuinkers.
Welke stap is de hypothese?
1
2
3
4
5
F1
Een wetenschapper wil de invloed van aspirine op de bloeddruk bepalen. Hij beschikt over twee gelijke groepen proefpersonen. De proefpersonen van de ene groep krijgen een asparinetabletje (opgelost in een glas water) waarna ze de oplossing moeten opdrinken.
Wat moet de controlegroep toegediend krijgen?
niets
een glas water
een glas water met opgelost een vergelijkbaar tabletje (zonder asparine)
een vergelijkbaar tabletje zonder asparine
