Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Kennisbasis "Moeilijke vragen" Domein ABC

Total questions: 25

Worksheet time: 13mins

Name
Class
Date
1.

A1

Op de hoofdhuid bevinden zich allerlei micro-organismen.

Bij een onderzoek naar de oorzaak van roos worden enkele roosschilfertjes onderzocht met behulp van een microscoop. Op de schilfertjes zijn gistcellen en bacteriën te zien.


Heeft een gistcel een celwand? En heeft een gistcel een kern? Geldt dat ook voor een bacterie?

a)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben beide niet.

b)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben beide ook

c)

Gist heeft geen celwand, wel een celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern

d)

Gist heeft wel een celwand, maar geen celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern.

e)

Gist heeft een celwand en een celkern. Bacterien hebben wel een celwand, maar geen celkern.

2.

A4

Drie cellen in het lichaam van een volwassen man worden met elkaar vergeleken: een spermacel, een spiercel en een zenuwcel.

In welke van deze cellen kan het Y-chromosoom ontbreken?

a)

in geen van deze cellen

b)

alleen in de spermacel

c)

alleen in de zenuwcel

d)

in de spiercel en zenuwcel

3.

A6

Iemand heeft zelf aardbeienjam gemaakt. Na een paar maanden opent hij een pot jam. Bij het openen van de pot komt er wat gas vrij. De jam ruikt naar alcohol.

Welke omzetting heeft in deze pot jam plaatsgevonden?

a)

dissimilatie van glucose met zuurstof waarbij alcohol en CO2 ziin ontstaan

b)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en CO2 zijn ontstaan

c)

dissimilatie van glucose zonder zuurstof waarbij alcohol en O2 zijn ontstaan

4.

A5

Een onderzoeker wil experimenten uitvoeren met autotrofe organismen. Hij kan organismen kiezen uit de groepen bacteriën, schimmels en wieren.

Welke organismen kan hij gebruiken?

a)

alle organismen uit de groep wieren en geen uit de andere groepen

b)

alle organismen uit zowel de groep bacteriën als uit de groep schimmels en geen uit de groep wieren

c)

alleen bepaalde organismen uit de groep bacteriën en alle organismen uit de groep wieren; geen uit de groep schimmels

d)

alle organismen uit alle drie de groepen

5.

A7

Hieronder staan voorbeelden van processen die plaatsvinden in cellen van planten:


1 vorming van glucose uit koolstofdioxide en water

2 opbouw van aminozuren uit glucose

3 vorming van melkzuur uit glucose

4 vorming van glycogeen uit glucose


Welk of bij welke van deze processen is een voorbeeld van voortgezette assimilatie?

a)

alleen proces 1

b)

alleen proces 4

c)

alleen proces 1 en 4

d)

alleen proces 2 en 4

6.

A8

Sommige vetplanten, zoals muurpeper, kunnen op zeer warme, droge plaatsen groeien: op rotsen en muren waar de hele dag de zon op staat en alleen 's nachts de temperatuur veel lager is.

Als aanpassing aan dit klimaat is het openings- en sluitingsritme van de huidmondjes van de vetplantjes anders dan bij andere planten.

Wanneer de omstandigheden voor fotosynthese het gunstigst zijn, zijn de huidmondjes dicht. Fotosynthese is dan toch mogelijk doordat de vetplanten extra CO2 opnemen wanneer wel gaswisseling mogelijk is. Het extra CO2 wordt opgeslagen in de vacuolen van de groene cellen.


Wanneer zullen de huidmondjes van deze vetplanten geopend zijn?

a)

alleen overdag

b)

alleen 's nachts

c)

zowel overdag als 's nachts, maar alleen bij hoge luchtvochtigheid

7.

A9

Een druppel menselijk bloed wordt verdund met eenzelfde hoeveelheid gedestilleerd water.

Wat gebeurt er dan met de rode bloedcellen?

a)

ze zwellen op

b)

ze verschrompelen

c)

ze veranderen niet

d)

ze krijgen een grotere turgor

8.

A9

Men legt enkele cellen uit een normale aardappel in gedestilleerd water.

Wat gebeurt er met de osmotische waarde van de cellen? En met de turgor?

a)

De osmotische waarde en turgor veranderen niet

b)

De osmotische waarde neemt af en de turgor neemt toe

c)

De osmotische waarde en turgor nemen af

d)

De osmotische waarde en turgor nemen toe

9.

A2

Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld.

Wat wordt aangegeven met nummer 4?

a)

celkern

b)

mitochondrium

c)

golgi systeem

d)

ribosoom

10.

A2

Hiernaast staat schematisch een cel afgebeeld.

Wat is het hoofdbestanddeel van nummer 7?

a)

cellulose

b)

fosfolipiden

c)

eiwitten

d)

koolhydraten

11.

C1

Een probleem voor de veehouders in Australië is sterfte onder het vee door het eten van bepaalde giftige bladeren. Dit treedt met name op in gebieden waar voedselschaarste heerst. Met behulp van genetische manipulatie zijn bacteriën uit het maagdarmkanaal van schapen, geiten en koeien voorzien van een gen voor een bepaald enzym. Dit enzym maakt de gifstof uit de bladeren onschadelijk. Plannen om een veldproef te doen met vee waaraan deze genetisch gemanipuleerde bacteriën zouden worden toegediend, werden door een adviescommissie afgekeurd. De commissie was bevreesd voor verspreiding van de gemanipuleerde bacteriën onder verwilderde geiten.


In de tekst staat "... een gen voor een bepaald enzym".

Hierover worden de volgende beweringen gedaan:

1 Bacteriën hebben geen kern en kunnen dus zonder genetische manipulatie geen eiwitten maken.

2 Het gen bestaat uit een eiwit dat het enzym maakt.

3 Het gen bevat de code voor het vormen van het enzym.


Welke van deze beweringen is of zijn juist?

a)

alleen 1

b)

alleen 2

c)

alleen 3

d)

alleen 2 en 3

e)

alleen 1 en 2

12.

C1

Gegeven is de volgende mRNA:


AUG CGC CAU UAU AAG UGA


Uit welke aminozuren bestaat het gevormde stukje eiwit?

a)

met-arg-his-tyr-lys-stop

b)

start-arg-his-tyr-lys

c)

met-arg-his-tyr-lys

d)

arg-his-tyr-lys

13.

B5

Bij bananenvliegjes wordt de oogkleur o.a. bepaald door een gen gelegen in het X-chromosoom. Het allel voor rode oogkleur is dominant over het allel voor witte oogkleur.


Bij welke van de volgende kruisingen zullen alle mannelijke nakomelingen witogig zijn?

a)

heterozygoot wijfe x roodogig mannetje

b)

heterozygoot wijfje x witogig mannetje

c)

witogig wijfje x roodogig mannetje

d)

homozygoot roodogig wijfje x witogig mannetje

14.

B5

Bij de mens komt de zeldzame afwijking albinisme voor met als kenmerken o.a. witte haren en ontbreken van pigment in de iris. Het allel voor albinisme is recessief en X-chromosomaal. Een albino man en een vrouw, die heterozygoot is voor de betrokken eigenschap, krijgen kinderen.


Hoe groot is de kans dat het eerstgeboren meisje een albino is?

a)

0%

b)

25%

c)

50%

d)

100%

15.

B5

Hemofilie is een ziekte bij de mens, die veroorzaakt wordt door het recessieve allel van een gen op het X-chromosoom.

In een bepaalde familie trad deze ziekte al in enkele generaties op. Wanneer in deze familie een vader lijder aan hemofilie is en zijn vrouw noch deze ziekte heeft noch draagster is, kan de ziekte optreden bij

a)

50% van de dochters

b)

alle dochters

c)

50% van de zoons

d)

geen van de zoons

16.

B1

Op een bepaald chromosoom ligt het gen voor het enzym mono-amine-oxydase-A (MAO-A). Dit enzym speelt een rol bij de normale afbraak van neurotransmitters, stoffen in de hersenen die de prikkeloverdracht tussen zenuwcellen verzorgen. Er bestaat een genetisch defect dat de productie van het enzym MAO-A ontregelt. Gevolg daarvan zou zijn dat de stofwisseling van de neurotransmitters als serotonine, dopamine en noradrenaline in de hersenen verstoord is geraakt. Dit heeft weer tot gevolg dat er agressief gedrag optreedt. Dit agressieve gedrag treedt voornamelijk bij mannen op.

Biochemisch onderzoek bij drie onderzochte mannen leverde inderdaad bewijs voor een verstoorde neurotransmitter-huishouding.


Een gen is een drager van erfelijke informatie.

Waarvan is een gen de code?

a)

DNA

b)

een eiwit

c)

RNA

d)

een aminozuur

17.

B1

Het is onderzoekers gelukt om andere organismen dan de mens, zoals muizen en varkens, mensen-hemoglobine te laten produceren, dat gebruikt kan worden bij de fabricage van kunstbloed.


Wat hebben de onderzoekers bij deze organismen veranderd om dit te bereiken?

a)

DNA

b)

bepaalde eiwitten

c)

hemoglobine

d)

ribosomen

18.

B2

Men heeft een geraniumplant met bonte bladeren. Het allel voor bonte bladeren is dominant over dat voor egaal groene bladeren. Men wil meer van deze bont gekleurde geraniums kweken.


Bij welke van onderstaande methoden is de kans het grootst dat de nieuwe planten zulke bont gekleurde bladeren zullen hebben?

1. stekken van deze plant

2. zelfbestuiving van deze plant

3. kruisbestuiving met een andere plant met bonte bladeren.

a)

alleen methode 1

b)

alleen methode 2

c)

alleen methode 3

d)

zowel methode 2 als 3

19.

B2

Twee individuen van dezelfde soort bezitten beide voor een bepaalde eigenschap hetzelfde fenotype.

Het ene individu is voor deze eigenschap homozygoot en het andere individu is heterozygoot.

Door de nakomelingen van bepaalde kruisingen te onderzoeken, kan worden bepaald welk individu homozygoot en welk individu heterozygoot is.


Welke van onderstaande kruisingen komt hiervoor het beste in aanmerking?

a)

Beide individuen worden enkele malen met elkaar gekruist

b)

Beide individuen worden elk gekruist met een willekeurig ander individu

c)

Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de dominante allelen

d)

Beide individuen worden elk gekruist met een individu dat homozygoot is voor de eigenschap veroorzaakt door de recessieve allelen

20.

B2

Van een wilg worden 20 takken afgesneden en iedere tak wordt in een aparte pot gezet. Na enige tijd zijn 5 bij takken de bladeren kronkelig vervormd, terwijl bij de overige 15 takken de bladeren normaal gebleven zijn.

De beste verklaring hiervoor is dat

a)

het allel voor kronkelige bladeren recessief is

b)

het allel voor kronkelige bladeren tijdens dit experiment gemuteerd is

c)

voor de verschillende takken het milieu verschillend is

d)

de boom heterozygoot is voor de aanleg bladvorm, want er ontstaat een 3:1 verhouding

21.

B2

Welke bewering is of beweringen zijn juist?

1) één gen bezit de informatie voor de synthese van meerdere verschillende soorten eiwitten

2) voor een bepaalde eigenschap krijg je een allel van je vader en een allel van je moeder

a)

alleen bewering 1 is juist

b)

alleen bewering 2 is juist

c)

beide beweringen zijn juist

d)

beide beweringen zijn onjuist

22.

B3

Twee uitspraken:


Uitspraak 1: Het hebben van een erfelijke ziekte is een voorbeeld van een fenotype

Uitspraak 2: Het fenotype is altijd hetzelfde als het genotype

a)

Alleen uitspraak 1 is juist

b)

Alleen uitspraak 2 is juist

c)

Beide uitspraken zijn juist

d)

Beide uitspraken zijn onjuist

23.

C3/4

Wat gebeurt er bij recombinant-DNA-techniek?

a)

Twee verschillende organismen wisselen via plasmiden stukjes DNA uit zodat er nieuwe combinaties ontstaan

b)

Een deel van het DNA van een organisme wordt in een ander organisme gebracht

c)

Door het enzym reverse transcriptase wordt RNA omgezet in DNA. Dit DNA heeft een andere combinatie van genen

d)

Een plasmide van een bacterie wordt overgebracht in een andere cel

24.

C1

Transgene organismen


Groeihormoon dat momenteel als geneesmiddel voor de mens wordt gebruikt, wordt op grote schaal gemaakt door bacteriën waaraan door genetische manipulatie menselijk DNA is toegevoegd. Dat geldt ook voor het hormoon insuline. Deze hormonen zijn zeer geschikt om via genetische manipulatie te worden geproduceerd, omdat ze beide tot een bepaalde groep stoffen behoren.


Tot welke van de volgende groepen stoffen behoren deze hormonen?

a)

eiwitten

b)

koolhydraten

c)

vetten

d)

mineralen

25.

Het erfelijk materiaal in virussen is heel verschillend. Dit virus komt voor in varianten met enkel- en met dubbelstrengs DNA.

Het erfelijk materiaal van een bepaald virus heeft de volgende samenstelling van stikstofbasen: cytosine = 19%, adenine = 25%, thymine = 33% en guanine = 23%.

Kan men op grond van deze gegevens bepalen wat voor erfelijk materiaal het is? Zo ja, welke vorm is het?

a)

Ja, het is dubbelstrengs DNA

b)

Ja, het is enkelstrengs DNA

c)

Ja, het is RNA

d)

Nee, dat is niet te bepalen