wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Check hoofdstuk 1 TL

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Wat is oriënterend lezen?

a)

De titel en tussenkopjes lezen

b)

De laatste alinea lezen

c)

De tekst bekijken en de eerste alinea lezen

d)

De tekst helemaal doorlezen

2.

Aan welke eisen moet een goede tekst voldoen?

a)

Volledig, duidelijk, foutloos, netjes

b)

Foutloos, bronvermelding, volledig, formeel

c)

Informeel, foutloos, duidelijk

d)

Zakelijk, bronvermelding, illustraties

3.

Wat is geen voorbeeld van een synoniem?

a)

Zoenen en kussen

b)

Dokter en arts

c)

Variatie en afwisseling

d)

Bank en bank

4.

Wat is een synoniem?

a)

Twee keer hetzelfde woord, andere betekenis

b)

Twee keer hetzelfde woord, dezelfde betekenis

c)

Twee verschillende woorden, dezelfde betekenis

d)

Twee verschillende woorden, andere betekenis

5.

Wat is de persoonsvorm is deze zin: Wie wil met mij spelen?

a)

Wie

b)

Wil

c)

Mij

d)

Spelen

6.

Goed of fout: voor de pv staan nooit meerdere zinsdelen.

a)

Goed

b)

Fout

7.

Wat voor soort programma is Het Klokhuis?

a)

Nieuwsprogramma

b)

Realityprogramma

c)

Amusementsprogramma

d)

Informatief programma

8.

Wat is een voorbeeld van een realityprogramma?

a)

So You Think You Can Dance

b)

Hollands Next Topmodel

c)

Utopia

d)

Dora

9.

Wat is de persoonsvorm in deze zin: Het oude gebouw lijkt te gaan instorten.

a)

Oude

b)

Lijkt

c)

Gaan

d)

Instorten

10.

Wat is de persoonsvorm in deze zin: De enthousiaste mannen begonnen direct met touwtrekken.

a)

Mannen

b)

Begonnen

c)

Direct

d)

Touwtrekken

11.

Is het gekleurde deel een zinsdeel? Een beter resultaat had hij op zo'n drukke dag niet kunnen wensen.

a)

Ja

b)

Nee

12.

Wat bedoelen we met 'de tijdproef'?

a)

De zin in een andere tijd zetten, waardoor de pv verandert.

b)

Een woord voor de pv zetten, zodat je weet of het een zinsdeel is.

c)

De zin in een vraag zetten, zodat de pv vooraan komt te staan.

d)

De tijd van de zin veranderen, zodat je ziet hoeveel zinsdelen er zijn.

13.

Een zinsdeel is een zinsdeel als.... (er zijn meerdere antwoorden goed)

a)

de tijd van de zin niet verandert.

b)

je het voor de pv kunt zetten, terwijl de betekenis hetzelfde blijft.

c)

het een woord of groepje woorden is dat bij elkaar hoort.

d)

het vooraan in de zin staat.

14.

Goed of fout: van een zelfstandig naamwoord kun je altijd een enkelvoud of meervoud maken

a)

Goed

b)

Fout

15.

Kunnen er tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord nog andere woorden staan?

a)

Ja, maar maximaal 1.

b)

Ja, een onbeperkt aantal.

c)

Nee, dan is het nooit een lidwoord.

d)

Nee, een zelfstandig naamwoord moet een lidwoord voor zich hebben.

16.

Goed of fout: een zin kun je alleen eindigen met een punt, uitroepteken of vraagteken.

a)

Goed

b)

Fout

17.

Welk leesteken past het beste bij deze zin: Praat niet zo hard

a)

.

b)

!

c)

?

18.

Welk leesteken past het best bij deze zin: Hoe durf je dat te zeggen

a)

.

b)

!

c)

?