wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Werkwoorden

Total questions: 30

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Ik ... mijn familie elke week.

a)

bezoek

b)

bezoekt

2.

Rachida ... de fiets.

a)

repareert

b)

repareer

3.
Ik ... de vraag langzaam.
a)
herhaal
b)
herhaalt
4.
Jij... lekkere koekjes.
a)
bakt
b)
bak
5.
Boris ... graag.
a)
zwemt
b)
zwemmen
6.
Ik ... naar huis.
a)
wandel
b)
wandelt
7.
Wij ... naar de film.
a)
gaan
b)
ga
8.
Kaat en Lien ... in het boek.
a)
schrijven
b)
schrijft
9.
Ik ... met de bal.
a)
speel
b)
speelt
10.
Jij... de afwas.
a)
doet
b)
doen
11.

Ik ... twee tassen

a)

heeft

b)

heb

c)

hebben

d)

hebt

12.

Opa en oma ... een groot huis.

a)

hebben

b)

heben

c)

heeft

d)

heb

13.

Wij ... op vakantie

a)

zij

b)

zijn

c)

ben

d)

is

14.

De leerlingen van 1MWD ... in de klas

a)

is

b)

ben

c)

zijn

d)

bent

15.

Clara en Jan ... hoofdpijn

a)

heb

b)

heeft

c)

hebben

d)

hebt

16.

De lerares ... een pen.

a)

heeft

b)

heb

c)

hebt

d)

hebben

17.

Mijn zus ... de oefening niet.

a)

begrijpt

b)

begrijpen

c)

begrijp

d)

begrij

18.

Wij ... een leuke klas!

a)

zijn

b)

is

c)

ben

d)

bent

19.

... hij huiswerk?

a)

Heb

b)

Hebben

c)

Heeft

d)

Hebt

20.

De meester ... de vraag.

a)

beantwoort

b)

beantwoorde

c)

beantwoordt

d)

beantwoord

21.

Jan ... de auto.

a)

bestuurt

b)

bestuurd

c)

bestuurdt

d)

bestuurde

22.

... je deze quiz leuk?

a)

Vind

b)

Vint

c)

Vindt

d)

Vond

23.

Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...

a)

vint

b)

vind

c)

vindt

d)

vond

24.

Het ... nogal eens dat het werkwoord gebeuren verkeerd wordt vervoegd.

a)

gebeurdt

b)

gebeurde

c)

gebeurd

d)

gebeurt

25.

Deze quiz is nu afgelopen. Ik ben benieuwd wie de winnaar ...

a)

word

b)

wordt

c)

werd

d)

geworden

26.

Is het waar wat hij vertel.. ?

a)

vertelt

b)

verteld

c)

verteldt

27.

Vin.. je het jammer dat hij beledigd wor.. ?

a)

Vind / word

b)

Vindt / wordt

c)

Vind / wordt

d)

Vindt / word

28.

Het wor.. tijd dat je het snoepgoed verdeel.. .

a)

wordt / verdeeld

b)

word / verdeeld

c)

wordt / verdeeldt

d)

wordt / verdeelt

29.

Morgen ... een speciale dag.

a)

word

b)

wordt

c)

wort

d)

worden

30.

... jij snel boos?

a)

Wordt

b)

Word

c)

Wort

d)

Worden