Font size
S
M
L
XL
WorksheetsRestaurant
Total questions: 13
Worksheet time: 6mins
Name
Class
Date
1.
Wat kun je op een pannenkoek doen?
a)
Stroop
b)
Aardappel
c)
Snoepjes
d)
Hamburger
2.
Waar werkt hij? Waar werkt zij?
a)
School
b)
Restaurant
c)
Slagerij
d)
School
3.
Wie ben ik?
Ik moet vroeg opstaan. Ik moet deeg maken, de oven warm maken en bakken.
Ik moet vroeg opstaan. Ik moet deeg maken, de oven warm maken en bakken.
a)
Slager
b)
Fotograaf
c)
Bakker
d)
Kelner
4.
Wat is een ober?
a)
b)
c)
5.
Wat is een gast?
a)
b)
c)
d)
6.
Welke zin klopt?
a)
Ik bestelt graag.
b)
Bestellen ik graag.
c)
Ik wil graag bestellen.
d)
Ik bestellen graag.
7.
Wat is een oven?
a)
b)
c)
d)
8.
Wat is een vriezer?
a)
b)
c)
d)
9.
Waar bak je pannenkoeken in?
a)
de kookpan
b)
de steelpan
c)
de koekenpan
d)
de oven
10.
Wat is een magnetron?
a)
b)
c)
d)
11.
Wat hebben we als eerste gekookt?
a)
b)
c)
d)
12.
Wat hebben we in de oven gedaan? 2 dingen.
a)
b)
c)
d)
13.
Waar dekken ze de tafel?
a)
b)
c)
Reset
