Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 basis hoofdstuk 1 krachten oefenen

Total questions: 20

Worksheet time: 10mins

Name
Class
Date
1.

Een kracht kan de vorm van een voorwerp veranderen.

a)

waar

b)

niet waar

2.

Een kracht is zichtbaar.

a)

waar

b)

niet waar

3.

Een kracht heeft een aangrijpings-punt.

a)

waar

b)

niet waar

4.

Voorwerpen kunnen spierkracht uitoefenen.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Een magneet werkt op wrijvingskracht.

a)

waar

b)

niet waar

6.

In de kabel van een hijskraan werkt een spankracht.

a)

waar

b)

niet waar

7.

De lengte van een vector bereken je met behulp van een

krachten-schaal.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Gewicht is een kracht.

a)

waar

b)

niet waar

9.

De zwaartekracht werkt naar beneden.

a)

waar

b)

niet waar

10.

Zwaartekracht meet je met een krachtmeter.

a)

waar

b)

niet waar

11.

De zwaartekracht op een zak zout met een massa van 10 kg is 1 N.

a)

waar

b)

niet waar

12.

Wrijvings-kracht is een meewerkende kracht.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Zonder wrijving tussen de banden en de weg kun je fietsen.

a)

waar

b)

niet waar

14.

Een hefboom kan krachten vergroten.

a)

waar

b)

niet waar

15.

Een hefboom gaat draaien als hij in evenwicht is.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Op een hefboom in evenwicht werkt meer dan één kracht.

a)

waar

b)

niet waar

17.

Brede banden oefenen een grotere druk uit op de grond dan smalle banden

a)

waar

b)

niet waar

18.

Massa is een ander woord voor zwaartekracht.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Een kracht teken je met een vector.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Hoe groter het oppervlak, hoe kleiner de druk.

a)

waar

b)

niet waar