Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

3 kader hoofdstuk 3 oefenen

Total questions: 15

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Veel energie wordt uit fossiele brandstoffen gehaald.

Welke brandstof wordt vooral gebruikt voor de straalmotoren van een vliegtuig?

a)

benzine

b)

dieselolie

c)

aardolie

d)

kerosine

2.

In welke eenheid wordt het vermogen van een apparaat aangegeven?

a)

ampère

b)

joule

c)

volt

d)

watt

3.

In een elektriciteitscentrale wordt chemische energie omgezet in elektrische energie. Dat gebeurt in een aantal stappen.

In welk onderdeel van de centrale wordt chemische energie omgezet in warmte?

a)

in de branders

b)

in de condensor

c)

in de generator

d)

in de turbine

4.

In de afbeelding zie je het energie-stroomdiagram van een zonnepaneel.

Welke bewering is juist?

a)

De stralingsenergie wordt eerst omgezet in elektrische energie en daarna in warmte.

b)

De stralingsenergie wordt eerst omgezet in warmte en daarna in elektrische energie.

c)

De stralingsenergie wordt voor het grootste deel omgezet in elektrische energie.

d)

De stralingsenergie wordt voor het grootste deel omgezet in warmte.

5.

Een dynamo heeft een maximaal elektrisch vermogen van 160 W.

Hoeveel joule elektrische energie kan deze dynamo per seconde leveren?

a)

0,16 J

b)

1,6 J

c)

16 J

d)

160 J

6.

Door beweging krijgen voorwerpen energie.

Van welke twee factoren hangt de bewegingsenergie van een vallend voorwerp af?

a)

van de hoogte van het voorwerp

b)

van de massa van het voorwerp

c)

van de snelheid van het voorwerp

d)

van het volume van het voorwerp

e)

van de zwaartekracht op het voorwerp

7.

In een windturbine zitten tandwielen.

Wat is de functie van die tandwielen?

a)

de hogesnelheidsas langzamer laten draaien dan de wieken

b)

de hogesnelheidsas sneller laten draaien dan de wieken

c)

de lagesnelheidsas langzamer laten draaien dan de wieken

d)

de lagesnelheidsas sneller laten draaien dan de wieken

8.

Welke bewering over zonnecellen is waar?

a)

Een zonnecel slaat zonlicht op in water.

b)

Een zonnecel slaat zonnewarmte op in water.

c)

Een zonnecel zet zonlicht om in elektrische energie.

d)

Een zonnecel zet zonnewarmte om in elektrische energie.

9.

Planten zetten bij de fotosynthese stralingsenergie uit het zonlicht om.

In welke energievorm wordt de stralingsenergie omgezet?

a)

in chemische energie van glucose

b)

in chemische energie van koolstofdioxide

c)

in fossiele energie van glucose

d)

in fossiele energie van koolstofdioxide

10.

In de afbeelding zie je een tekening van een zonnecollector.

Welk onderdeel zorgt indien nodig voor bijverwarming?

a)

onderdeel 1

b)

onderdeel 2

c)

onderdeel 3

d)

onderdeel 4

11.

Een zonnepaneel wordt getest. Als er 500 W aan stralingsenergie op het paneel valt, levert dit 425 W warmte op. De rest van de stralingsenergie wordt omgezet in elektrische energie.

Hoe groot is het rendement van dit zonnepaneel?

a)

85%

b)

75%

c)

18%

d)

15%

12.

Yara beweert dat je het rendement kunt berekenen door de nuttig gebruikte energie af te trekken van de totaal opgenomen energie.

Linda beweert dat je het rendement kunt berekenen door het totaal opgenomen vermogen te delen door het nuttig vermogen.

Wie heeft er gelijk?

a)

Geen van beiden heeft gelijk.

b)

Alleen Linda heeft gelijk.

c)

Alleen Yara heeft gelijk.

d)

Linda en Yara hebben allebei gelijk.

13.

Welke twee beweringen zijn waar?

a)

Als een voorwerp valt, wordt bewegingsenergie omgezet in zwaarte-energie.

b)

Als je een voorwerp optilt, krijgt het meer zwaarte-energie.

c)

Als twee voorwerpen op dezelfde hoogte staan, heeft het zwaarste voorwerp de minste zwaarte-energie.

d)

Als water uit een stuwmeer stroomt, neemt de zwaarte-energie van het water toe.

14.

Aan een hijskraan hangt een blok beton van 835 kg. Het blok hangt 8,3 m hoog.


Hoeveel joule zwaarte-energie heeft het blok beton?

a)

10,6 J

b)

100,6 J

c)

6930,5 J

d)

69 305 J

15.

Noa en Daan doen een proef. Zij willen het rendement van een proefopstelling voor een waterkrachtcentrale bepalen.

Bij de proef laten ze 500 g water 2,5 m naar beneden stromen. Daar drijft het water een kleine dynamo aan.

Daan meet de hoeveelheid elektrische energie die de dynamo levert. Daarna rekent hij uit dat het rendement van de opstelling 20% is.

Hoeveel elektrische energie heeft de dynamo geleverd?

a)

0,25 J

b)

2,5 J

c)

250 J

d)

2500 J