Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Grammatica #1 (CITO 2015)

Total questions: 13

Worksheet time: 26mins

Name
Class
Date
1.

Welk onderstreepte woord moet met een hoofdletter geschreven worden?


de conducteur vroeg

aan de reizigers wilt

u uw kaartje laten zien

a)

vroeg

b)

aan

c)

reizigers

d)

wilt

2.

In welke zin staan de aanhalingstekens openen en sluiten ("...") goed?

a)

"heb je er wel aan gedacht" vroeg Jari "dat op zondag veel winkels gesloten zijn"

b)

"heb je er wel aan gedacht" vroeg Jari dat op zondag veel winkel gesloten zijn

c)

"heb je er wel aan gedacht vroeg Jari dat op zondag veel winkels gesloten zijn"

d)

heb je er wel aan gedacht vroeg Jari "dat op zondag veel winkels gesloten zijn"

3.

Welk leesteken moet er worden gezet achter kijken?


Nel fluisterde tegen Mieke die naar haar baby

kwam kijken zachtjes praten anders wordt ze wakker

a)

punt (.)

b)

vraagteken (?)

c)

uitroepteken (!)

d)

dubbele punt (:)

4.

Achter welk onderstreepte woord moet een komma (,) worden gezet?


de kerstboom voor het stadhuis was prachtig versierd met kerstballen engelenhaar een een piek

a)

kerstboom

b)

prachtig

c)

versierd

d)

kerstballen

5.

Achter welk onderstreept woord moet een punt (.) worden gezet?


we keken televisie toen hoorden we plotseling

het geluid van een ontploffing gevolgd door

glasgerinkel en het geschreeuw van mensen

a)

televisie

b)

plotseling

c)

ontploffing

d)

glasgerinkel

6.

Achter welk onderstreept woord moet een dubbele punt (:) worden gezet?


de schapenboer vroeg kwaad

aan mijn moeder maar waarom

heeft u uw hond los laten lopen?

a)

vroeg

b)

kwaad

c)

moeder

d)

maar

7.

Welk onderstreept woord moet je met een hoofdletter schrijven?


de agent riep woedend naar

de man staan blijven

a)

agent

b)

woedend

c)

de

d)

staan

8.

In welke zin staat de komma (,) op de juiste plaats?

a)

ik ben jarig en daarom, komen mijn opa en oma mijn oom en tante en neefjes op bezoek

b)

ik ben jarig en daarom komen mijn opa en oma, oom en tante en mijn neefjes op bezoek

c)

ik ben jarig en daarom komen mijn opa en oma mijn oom en tante en mijn neefjes, op bezoek

d)

ik ben jarig en daarom komen, mijn opa en oma mijn oom en tante en mijn neefjes op bezoek

9.

In welke zin is een zelfstandig naamwoord onderstreept?

a)

De stroper haalde zijn vallen leeg.

b)

Waarom wil je eigenlijk vluchten?

c)

We moeten de bloembollen poten?

d)

Ze wachten op toestemming om te gaan.

10.

Wat is het werkwoordelijk gezegde?


John zou vanmorgen gaan vissen.

a)

John zou

b)

John zou vissen

c)

zou vissen

d)

zou gaan vissen

11.

In welke zin is dromen de persoonsvorm?

a)

Denk je dat dromen echt voorspellen wat er gebeurt?

b)

Mijn zusje heeft vaak nare dromen.

c)

Sommige mensen dromen vaak tijdens hun werk.

d)

Zouden baby's ook kunnen dromen?

12.

Wat is juist?


Ze beschreven de inbreker zo nauwkeurig mogelijk.

a)

beschreven is enkelvoud en tegenwoordige tijd.

b)

beschreven is enkelvoud en verleden tijd.

c)

beschreven is meervoud en tegenwoordige tijd.

d)

beschreven is meervoud en verleden tijd.

13.

Wat is het onderwerp in deze zin?


Krampachtig probeerde Omar zijn ogen op te houden.

a)

Krampachtig

b)

probeerde

c)

Omar

d)

zijn ogen