Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

4 kader hoofdstuk 9 schakelingen oefenen

Total questions: 21

Worksheet time: 14mins

Name
Class
Date
1.

Charlotte en Yuri maken tijdens een practicum de schakeling die is weergegeven in de tekening. In de schakeling zijn twee weerstanden opgenomen. Door welke weerstand loopt de grootste stroom?

a)

de stroom is door beiden weerstanden even groot

b)

door de weerstand van 12 ohm

c)

door de weerstand van 60 ohm

d)

dat kun je niet nagaan, want de spanning is niet gegeven

2.

Katja en Stijn maken tijdens een practicum een serieschakeling met drie weerstanden. Weerstand 1 is 40 Ω, weerstand 2 is 10 Ω en weerstand 3 is 120 Ω. Vervolgens meten ze de stroom tussen de weerstanden. Op welke plaats meten zij de grootste stroom?

a)

tussen de batterij en weerstand 1

b)

tussen weerstand 1 en 2

c)

tussen weerstand 2 en 3

d)

tussen weerstand 3 en de batterij

e)

de stroom is overal even groot

3.

Charlotte en Yuri maken tijdens een practicum de schakeling die is weergegeven in de tekening. In de schakeling zijn twee weerstanden opgenomen. In plaats van de twee weerstanden willen Charlotte en Yuri één andere weerstand R op de spanningsbron aansluiten. De stroommeter moet evenveel blijven aanwijzen. Hoe groot moet de weerstand R zijn?

a)

15 ohm

b)

20 ohm

c)

40 ohm

d)

60 ohm

e)

80 ohm

4.

De weerstand van een NTC kan in korte tijd sterk veranderen. Wanneer wordt de weerstand van een NTC groter?

a)

als de temperatuur van de NTC daalt

b)

als de temperatuur van de NTC stijgt

c)

als er meer licht op de NTC valt

d)

als er minder licht op de NTC valt

5.

Marije maakt tijdens een practicum een serieschakeling met een led en een weerstand. Wanneer zij alles aangesloten heeft, brandt de led niet. Wat kan er verkeerd zijn gegaan?

a)

een led kun je niet in een serieschakeling zetten

b)

een led kun je niet op een batterij aansluiten

c)

de led is verkeerd aangesloten

d)

een led brand alleen maar bij hoge spanning

6.

De weerstand van een LDR kan in korte tijd sterk veranderen. Wanneer wordt de weerstand van een LDR kleiner?

a)

als de temperatuur van de LDR daalt

b)

als de temperatuur van de LDR stijgt

c)

als er meer licht op de LDR valt

d)

als er minder licht op de LDR valt

7.

welke bewering is onwaar?

a)

De beide aansluitpoten van een led hebben een gelijke lengte.

b)

Je kunt een led gebruiken als lichtbron.

c)

In de sperrichting is de weerstand heel groot.

8.

Hoe groot is de stroomsterkte die de stroommeter in de tekening aangeeft?

a)

0,75 A

b)

1,5 A

c)

2,25 A

d)

3 A

e)

4 A

9.

welke bewering is onwaar?

a)

In een parallelschakeling zijn alle onderdelen op dezelfde spanningsbron aangesloten.

b)

In een parallelschakeling heeft iedere vertakking een eigen stroomsterkte.

c)

Een parallelschakeling bestaat uit één stroomkring.

10.

Jan heeft een aantal gelijke lampjes van 6 V/0,1 A. Hij sluit deze lampjes één voor één aan op een voedingskastje dat staat ingesteld op 6 V. De voeding wordt beschermd door een zekering van 0,5 A. De lampjes worden door Jan allemaal parallel aan elkaar geschakeld.

Welke bewering is waar?

a)

Als één lampje in Jans schakeling doorbrandt, gaan alle andere lampjes uit.

b)

Als Jan een nieuw lampje aansluit, gaan de andere lampjes minder fel branden.

c)

Jan kan op zijn hoogst vijf lampjes aansluiten, voordat de zekering van de voeding doorbrandt.

11.

Ans en José hebben de schakeling gemaakt die je kunt zien in de tekening. Hoe groot is de vervangingsweerstand van R 1 en R 2?

a)

3 ohm

b)

4 ohm

c)

8 ohm

d)

12 ohm

e)

16 ohm

12.

Jan heeft drie gelijke lampjes van 6 V/0,1 A en twee gelijke lampjes van 6 V/0,5 A. Hij sluit deze lampjes één voor één aan op een voedingskastje dat staat ingesteld op 6 V. De lampjes worden door Jan allemaal parallel aan elkaar geschakeld. Hoe groot is de vervangingsweerstand van alle lampjes die Jan gebruikt heeft?

a)

3 ohm

b)

4,6 ohm

c)

34 ohm

d)

15 ohm

13.

Welk schakelonderdeel kun je in een thermometer als sensor gebruiken?

a)

een diode

b)

een LDR

c)

een NTC

d)

een relais

14.

In welk apparaat zit een LDR als sensor?

a)

een inbraakalarm

b)

een thermometer

c)

een buitenlantaarn

d)

een koelkast

15.

Een natuurkundedocent bouwt een elektrische schakeling. Hij wil laten zien dat leidingwater elektrische stroom geleidt. Er hangen twee geleidende staven in het bekerglas met water. Als het water stroom geleidt, gaat de gloeilamp branden. Wat is de functie van het relais?

a)

het relais meet de spanning

b)

het relais meet de stroomsterkte

c)

het relais werkt als schakelaar

d)

het relais werkt als spanningsdeler

16.

In een bus zijn verschillende drukschakelaars aangebracht. Als je zo'n schakelaar even indrukt, gaat er een lamp voor in de bus branden. De buschauffeur weet dan dat hij bij de volgende halte moet stoppen. De lamp blijft branden totdat de chauffeur een schakelaar op het dashboard indrukt (die tegelijk de deuren open laat gaan). In de afbeelding zie je een schakelschema van deze 'busschakeling'. Welke bewering is waar?

a)

De knop van de buschauffeur is in deze schakeling aangegeven met S3.

b)

Als je op knop S2 drukt, gaat de lamp L branden.

c)

De 'busschakeling' werkt ook als je relais 1 verwijdert.

17.

welke bewering is onwaar?

a)

Een relais klikt bij het schakelen en een transistor schakelt geluidloos.

b)

Een transistor is goedkoper dan een relais.

c)

Een apparaat dat op wisselstroom werkt, kun je schakelen met een relais.

d)

Een apparaat dat werkt op 230 V kun je schakelen met een transistor.

18.

Karel bouwt de schakeling die hierboven is weergegeven. De schakeling bevat een spanningsbron, een schakelaar, een lampje en een condensator. Karel sluit de schakelaar enige tijd. Daarna zet hij de schakelaar weer open. Wat gebeurt er als Karel de schakelaar weer openzet?

a)

de condensator gaat kapot

b)

het lampje blijft gewoon branden

c)

het lampje gaat na enige tijd uit

d)

het lampje gaat onmiddellijk uit

19.

Op een condensator staat 0,2 μF. Wat is juist?

a)

de condensator heeft een capaciteit van 0,2 μF

b)

de condensator heeft een vermogen van 0,2 μF

c)

door de condensator loopt een stroom van 0,2 μF

d)

op de condensator staat een spanning van 0,2 μF

20.

Moderne fietsen hebben vaak achterlichten met een condensator erin. Als je stilstaat, blijft het achterlicht nog enige tijd branden. Welke twee factoren zijn van invloed op de tijd dat het lampje in stilstand nog blijft branden?

a)

de capaciteit van de condensator

b)

de oplaadtijd van de condensator

c)

de spanning van het lampje

d)

de weerstand van het lampje

21.

Een supercondensator heeft een capaciteit van:

a)

0,34 kF

b)

3,4 kF

c)

34 kF

d)

340 kF