NEW
Font size
S
M
L
XL
Worksheetsww spelling Ruben
Total questions: 8
Worksheet time: 16mins
Name
Class
Date
1.
Gooien (O.V.T.)
Sander... de bal het veld in
a)
gooidte
b)
gooite
c)
gooiden
d)
gooide
2.
rennen (O.V.T.)
hij ... de marathon als snelst
a)
rende
b)
renden
c)
rent
d)
rente
3.
fietsen (O.V.T.)
ik ........ naar de Efteling
a)
fietsde
b)
fietst
c)
fietste
d)
fietsden
4.
knappen (O.V.T.)
De ballon ......... omdat hij tegen iets scherps aan kwam.
a)
knapde
b)
knapte
c)
knapden
d)
knapten
5.
trillen (O.V.T.)
wij ........ van de herrie
a)
trillen
b)
trilde
c)
trilte
d)
trilden
6.
tekenen (O.V.T.)
Luc ........ een mooie tekening.
a)
tekenden
b)
tekente
c)
tekenen
d)
tekende
7.
maken (O.V.T.)
ik .......... een vogelhuisje voor de vogels.
a)
maakde
b)
maaken
c)
maakte
d)
maakden
8.
aaien (O.V.T.)
Ik ....... mijn hond.
a)
aaite
b)
aaide
c)
aaiden
d)
aaien
Reset
