Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

5 Havo Aarde Herhaling §5.1, §5.2 en Koppen

Total questions: 41

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.
Bij een lagedrukgebied is er sprake van:
a)
een dalende luchtbeweging
b)
een stijgende luchtbeweging
2.
Op 30 graden NB en ZB bevindt zich een:
a)
lagedrukgebied
b)
hogedrukgebied
3.
Een lagedrukgebied ontstaat door:
a)
opwarming
b)
afkoeling
4.
Wind waait aan het aardoppervlak van:
a)
hoge druk naar lage druk
b)
lage druk naar hoge druk
5.
Hoe wordt de wet van Buys Ballot ook genoemd? 
a)
cicero-effect
b)
corrosie-effct
c)
carroussel-effect
d)
coriolis-effect
6.
De wet van Buys Ballot geeft een verklaring voor:
a)
afwijkende neerslagpatronen
b)
afwijkende windrichtingen
c)
afwijkende drukgebieden
d)
afwijkende antwoorden
7.
Wanneer je op het noordelijk halfrond met de wind in je rug staat, dan heeft de wind een afwijking naar:
a)
rechts
b)
links
8.
De wet van Buys Ballot is een gevolg van:
a)
de draaiing van de aarde
b)
de bolvorm van de aarde
c)
een combinatie van de draaiing en de bolvorm van de aarde
d)
puur toeval!
9.
Hoe worden de winden genoemd die in de tropen naar de evenaar waaien?
a)
westenwinden
b)
moessons
c)
passaten
d)
oostenwinden
10.
Waarvoor staat ITCZ?
a)
Intertropische concentratiezone
b)
Intertropische convergentiezone
c)
Intertropische conclusiezone
d)
Geen flauw idee!
11.
De ITCZ bestaat uit een zone van:
a)
lage druk
b)
hoge druk
12.
Moessons zijn:
a)
omgebogen passaten
b)
omgebogen poolwinden
c)
omgebogen westenwinden
d)
omgebogen oostelijke winden
13.

Wat is geen klimaatfactor?

a)

breedteligging

b)

hoogteligging

c)

type oppervlak

d)

zonne-afstand

14.
De afstand van een plaats tot de evenaar.
a)
De afstand van een plaats tot de evenaar.
b)
Geografische breedte
c)
Lengtegraad
d)
Het Köppenklimaten stelsel
15.
De afstand van een plaats tot de nulmeridiaan.
a)
De afstand van een plaats tot de nulmeridiaan.
b)
De afstand van een plaats tot de nulmeridiaan.
c)
Het Köppenklimaten stelsel
d)
Geografische lengte
16.
De kant van het gebergte waar het weinig regent.
a)
De droge kant
b)
De stuwingszijde
c)
Woestijnzijde
d)
Regenschaduw
17.
Het proces waarbij zeewater na verdamping uit zee via wolken, neerslag, grondwater en rivieren weer terug stroomt naar zee.
a)
Waterkringloop
b)
De korte kringloop
c)
Het verdampingsproces
d)
Het verdampingsproces
18.
De hoek waaronder de zonnestralen het aardoppervlak raken.
a)
A. De zomerstand van de aarde
b)
B. De winterstand van de aarde
c)
C. De zonnewende
d)
D. Invalshoek van de zon
19.
Klimaat met een groot verschil tussen zomer en wintertemperatuur.
a)
Woestijnklimaat
b)
Landklimaat
c)
Poolklimaat
d)
Toendraklimaat
20.
Dit klimaat wordt gekenmerkt door een temperatuur die altijd hoger is dan 18 graden en een droge en natte tijd.
a)
Savanneklimaat
b)
Steppeklimaat
c)
 Middellands zeeklimaat
d)
Woestijnklimaat
21.

Klimaat met hoge temperaturen en weinig neerslag, waardoor de begroeiing beperkt blijft tot gras.

a)

Savanneklimaat

b)

Middellands zeeklimaat

c)

Steppeklimaat

d)

Woestijnklimaat

22.
Regen die ontstaat als het heel warm is en er veel water verdampt en opstijgt.
a)
Stuwingsregen
b)
Stijgingsregen
c)
Frontale regen
d)
Warmtefront
23.
Regen die ontstaat wanneer lucht tegen de bergen aanwaait en gedwongen wordt te stijgen.  
a)
Stijgingsregen
b)
Frontale regen
c)
Moesson
d)
Stuwingsregen
24.
Klimaat waarin zelfs in de zomer de temperatuur niet boven de 10 graden komt.
a)
Toendraklimaat
b)
Savanneklimaat
c)
Landklimaat
d)
Zeeklimaat
25.
Een klimaat waarin de tempratuur altijd hoger is dan 18 graden en het hele jaar door veel regen valt.
a)
Woestijnklimaat
b)
Tropisch regenwoudklimaat
c)
Steppeklimaat
d)
Middellands zeeklimaat
26.
Klimaat met meestal hoge temperaturen en vrijwel geen neerslag.
a)
A. Tropisch regenwoud klimaat
b)
B. Woestijnklimaat
c)
C. Savanneklimaat
d)
D. Steppeklimaat
27.
Bekijk de afbeelding: In Nederland is het op dit figuur.....
a)
Zomer
b)
Winter
c)
Herfst
d)
Lente
28.
De plek waar de zon recht instraalt en een klein oppervlak verwarmt is de......
a)
Hoge breedte
b)
Lage breedte
29.
Op de lage breedte legt de zon een ..............................weg af dan op hoge breedte
a)
langere
b)
kortere
30.
Op de zuidpool is het op dit moment 
a)
Middernachtzon 
b)
Poolnacht
c)
Pooldag
d)
Zomer
31.
Hoe hoger hoe kouder! Je staat in een dal en het is 13 graden. Je maakt een flinke wandeling en je stijgt naar 1500 meter. Hoeveel graden is het daar. 
a)
4 graden
b)
6 graden
c)
8 graden
d)
-3 graden
32.
Bekijk de afbeelding: Hoe heet de rode lijn?
a)
De evenaar
b)
De nul meridiaan 
c)
De 0 breedte graad
d)
De noord- zuid lijn
33.

Wat is de bijbehorende afkorting voor deze klimaatgrafiek

a)

BW

b)

BS

c)

Aw

d)

Df

34.

Geeft de juiste afkorting van deze klimaatgrafiek.

a)

Cf

b)

ET

c)

BS

d)

Ds

35.

Geef de juiste afkorting van deze klimaatgrafiek.

a)

Aw

b)

As

c)

Af

d)

Am

36.

Uit welke windrichting waait de passaat op het noordelijk halfrond?

a)

NO

b)

NW

c)

ZO

d)

ZW

37.

Welk van de onderstaande klimaten volgens Köppen is een landklimaat met een droge winter?

a)

Aw

b)

Cw

c)

Dw

d)

Ew

38.

Waarom zijn bodems in de tropen meestal niet zo vruchtbaar?

a)

De afbraak van bodemdeeltjes en voedingstoffen gaat te snel.

b)

De bodems worden heel extensief gebruikt door de mens.

c)

De bodems worden te intensief gebruikt door de mens.

d)

De bodems zijn erg jong en daarom nog nauwelijks ontwikkeld.

39.

Gebruik figuur 1. Uit welke richting waait de wind ’s zomers in Accra (Ghana)?

a)

NO

b)

NW

c)

ZO

d)

ZW

40.

Onder welk klimaat vind je olijfbomen en kurkeiken?

A Aw

B BW

C Cs

D Dw

a)

Aw

b)

Bw

c)

Cs

d)

Dw

41.

Welke uitspraak over het verschil tussen een warme en een koude zeestroom is juist?

a)

Een koude zeestroom bestaat uit opwellend diepzeewater.

b)

Een warme zeestroom stroomt van de polen richting de evenaar.

c)

Een warme zeestroom stroomt vanuit een relatief warm gebied naar een kouder gebied.

d)

Koude zeestromen komen alleen voor rondom Antarctica.