wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Les 5. Herhalingsles. Basis

Total questions: 29

Worksheet time: 15mins

Name
Class
Date
1.

Wat is communicatie?

a)

Het doorgeven en ontvangen van informatie

b)

Een middel om te praten

2.

Welke van de volgende dingen is een medium?

a)

Fiets

b)

Auto

c)

Mobiel

3.

Welke van de volgende dingen is non-verbaal?

a)

Middelvinger opsteken

b)

Iemand uitschelden voor ' rotte vis'

c)

Iemand begroeten met 'Hallo'

4.

Wat is eenzijdige communicatie?

a)

Je kijkt een film op Netflix maar je kunt niet tegen de film praten

b)

Je bent in gesprek met je broer over een voetbalwedstrijd

5.

Als je onder een youtube filmpje een reactie plaatst is dit:

a)

eenzijdige communicatie

b)

tweezijdige communicatie

6.

Wat is massacommunicatie?

a)

Bellen met je moeder over je vriendje/vriendinnetje

b)

De WK finale op TV

7.

Als je naar het nieuws kijkt is dit voor....

a)

kennis

b)

ontspanning

c)

contact

8.

Als je na een drukke dag gaat netflixen en chillen is dit voor...

a)

kennis en nieuws

b)

ontspanning

c)

contact

9.

Voorbeelden van massamedia zijn:

a)

kranten en telefoongesprekken

b)

radio en websites.

10.

Een mobiele telefoon is een massamedium, want bijna iedereen heeft er één.

a)

Deze uitspraak is onjuist.

b)

Deze uitspraak is juist.

11.

Een menukaart in een restaurant is een massamedium.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist.

12.

In Nederland zijn commerciële zenders en publieke omroepen.

Een voorbeeld van een commerciële zender is:

a)

SBS6

b)

AVROTROS.

13.

Commerciële zenders krijgen geld van de overheid.

a)

juist

b)

onjuist

14.

AVROTROS is een commerciële zender.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist

15.

BNN en SBS zijn allebei commerciële zenders.

a)

Deze uitspraak is juist.

b)

Deze uitspraak is onjuist.

16.

Een goed nieuwsartikel moet betrouwbaar zijn

a)

waar

b)

niet waar

17.

Nieuwsberichten gaan altijd over bekende personen.

a)

waar

b)

niet waar

19.

Een voorbeeld van een actueel nieuwsbericht is:

a)

een nieuwsoverzicht van het afgelopen jaar.

b)

een vrachtboot die gisteren op het strand van Scheveningen vastliep.

c)

een uitleg over de werking van medicijnen tegen hoofdpijn.

19.

Een voorbeeld van een actueel nieuwsbericht is:

a)

een nieuwsoverzicht van het afgelopen jaar.

b)

een vrachtboot die gisteren op het strand van Scheveningen vastliep.

c)

een uitleg over de werking van medicijnen tegen hoofdpijn.

20.

Een mening van iemand is betrouwbaar omdat je die kunt controleren.

a)

waar

b)

niet waar

21.

Wat is een voorbeeld van een bijzonder nieuwsbericht?

a)

Een bericht over een man die op straat briefjes van 100 euro uitdeelt.

b)

Een verhaal over prinses Amalia.

c)

Een verslag van een voetbalwedstrijd

22.

Een voorbeeld van een actueel nieuwsbericht is:

a)

een nieuwsoverzicht van het afgelopen jaar.

b)

een vrachtboot die gisteren op het strand van Scheveningen vastliep.

c)

een uitleg over de werking van medicijnen tegen hoofdpijn.

23.

Wat is een voorbeeld van een bijzonder nieuwsbericht?

a)

Een bericht over een man die op straat briefjes van 100 euro uitdeelt.

b)

Een verhaal over prinses Amalia.

c)

Een verslag van een voetbalwedstrijd

24.

Een mening van iemand is betrouwbaar omdat je die kunt controleren.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Door een ongeluk staat er een lange file op de snelweg bij Utrecht. Waarom staat dit bericht op nu.nl?

a)

het is bijzonder

b)

het is actueel

c)

het gaat over bekende mensen

d)

het is interessant

26.

Welk antwoord is geen controlemiddel voor nepnieuws?

a)

Lees het hele bericht en niet alleen de titel.

b)

Zoek uit waar het artikel vandaan komt.

c)

Zoek uit of het bericht vaak is gedeeld op sociale media.

d)

Zoek uit welke bronnen zijn gebruikt?

27.

Feiten zijn betrouwbaarder dan meningen.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Berichten op weblogs zijn vaak onbetrouwbaar.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Berichten op weblogs zijn vaak onbetrouwbaar.

a)

waar

b)

niet waar