wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

samenvatting commercieel 2

Total questions: 24

Worksheet time: 12mins

Name
Class
Date
1.

Wat wordt er bedoeld met het kern assortiment?

a)

is aanvullend op het randassortiment

b)

is het assortiment dat vergelijkbaar is met dat van de concurrent.

c)

Het kernassortiment is het assortiment waar de winkel om bekend staat. Voor deze producten komt de klant bij de winkel. Hieruit haalt de winkel verreweg de meeste omzet.

d)

Het kernassortiment is het assortiment waar de winkel om bekend staat.

2.

Een kledingwinkel verkoopt naast kleding ook ringen en halskettingen. Tot welk assortiment behoren deze producten?

a)

kern assortiment

b)

afzijdig assortiment

c)

hoofdassortiment

d)

randassortiment

3.

1. Zet de betekenis bij het juiste begrip

A Breedte

B Diepte

C Hoogte

D Lengte

E Consistentie


1 Het totale aantal artikelen dat de verkoper aanbiedt bedoeld.

2 Het aantal productgroepen een winkel heeft.

3 De mate waarin de verschillende categorieën producten binnen een winkel met elkaar verband houden.

4 Het aantal producten dat een productgroep bevat.

5 het gemiddelde prijsniveau van de producten van het assortiment.

a)

1a,2b,3c,4e,5d

b)

1a,2b,3e,4d,5c

c)

1b,2a,3e,4d,5c

d)

1a,2b,3d,4e,5c

4.

Door de corona-pandemie is het helemaal in bij jonge vrouwen om een fleecetrui te hebben die je op de bank uit kan vouwen tot een fleecedekentje. Lekker warm en knus voor de tv met een kopje thee.

Jantine fashion besluit om deze trui op te nemen in haar assortiment.

waar is bovenstaande een voorbeeld van m.b.t. het assortiment?

a)

saneren

b)

variateren

c)

specialisatie

d)

verbreden

e)

verdiepen

5.

Een kledingwinkel besluit naast de bekende merken als Ekin en Evil een goedkopere kledinglijn op te nemen in het assortiment. Hiermee wil het een groter publiek aantrekken.

a)

trading-up

b)

upgrading

c)

trading down

6.

Een klant gaat naar de bouwmarkt om metaalboortjes te kopen voor zijn boormachine. Het merk staat vast het wordt een de WALT.

Dit is een voorbeeld van:

a)

convencience goods

b)

shopping goods

c)

preferend goods

d)

speciality goods

7.

Wat houdt het brutorendement in?

a)

brutorendement geeft inzicht in de winstgevendheid van de voorraad.

b)

Brutorendement geeft inzicht in de winstgevendheid van de onderneming.

c)

Brutorendement geeft inzicht in de winstgevendheid van de verkoopprijs.

d)

brutorendement geeft inzicht in de winstpotentie van de omloopsnelheid.

8.

Van een drogisterij zijn de volgende gegevens bekend:

de omzet in een periode is € 20.000

de brutowinst is 35% van de omzet

de beginvoorraad was € 26.000

de eindvoorraad was € 22.000


Bereken het brutorendementsgetal. Schrijf de berekening op. (1 decimaal)

a)

120%

b)

35%

c)

€ 29,20

d)

29,2%

9.

Bij beslissingen in het assortiment moet je rekening houden met het Pareto-principe oftewel de 20-80 regel. Wat houdt dit principe in?

a)

20% van je omzet zorgt voor 80% van de kosten.

b)

20% van je assortiment is verantwoordelijk voor 80% van je omzet.

c)

20% van je omzet zorgt voor 80% van de winst.

d)

20% van je assortiment zorgt voor 80% van je winst.

10.

Wanneer het slecht gaat met de economie. Welk type merk kan hier het meest van profiteren?

a)

een A-merk

b)

een huismerk

c)

een collectiefmerk

d)

een papaplumerk

11.

Een winkel in tuinbenodigdheden kan alleen inkopen bij één en dezelfde leverancier. Afspraken m.b.t. levering en besteleenheden liggen vast. van welk inkoopkanaal maakt deze winkelier gebruik?

a)

het vrije inkoopkanaal

b)

het lichtgebonden inkoopkanaal

c)

het gebonden inkoopkanaal

12.

Bij welke distributiekanaal koopt de winkelier rechtstreeks in bij de fabrikant?

a)

het indirecte distributiekanaal lang

b)

het indirecte distributiekanaal kort

c)

het directe distributiekanaal

13.

Welke bewering is juist:

1 bij een pushstrategie bewerkt de producent de tussenschakels om zijn product in het assortiment te krijgen.

2 bij pullstrategie maakt de producent rechtstreeks reclame die gericht is op de consument om zo vraag bij de winkeliers te creëren naar het product.

a)

1 juist 2 onjuist

b)

1 onjuist 2 juist

c)

1 onjuist 2 onjuist

d)

1 juist 2 juist

14.

Wat wordt er bedoeld met schapsrendement?

a)

bij schapsrendement bereken je hoeveel je verdient aan de artikelen in een schap.

b)

bij het schapsrendement bereken je hoeveel omzet je van een artikel hebt in een schap.

c)

bij schapsrendement bereken je omloopsnelheid je hebt van een artikel in een schap.

d)

bij schapsrendement leg je de werkelijke vultijd naast de vulnorm.

15.

1. Van de artikelgroep blije sokken is de jaaromzet € 3.400 en de brutomarge 30%.

De schapsruimte is 40 cm.

Bereken het schapsrendement.

a)

€ 1.020

b)

€ 2.550

c)

€ 255

d)

€ 4.080

16.

In welke fase van het productlevenscyclus bevindt zich de DVD-speler

a)

introductiefase

b)

groeifase

c)

rijpheidsfase

d)

verzadigingsfase

e)

neergang

17.

Welke van de beweringen over kostprijsgeoriënteerde prijsstrategie is juist?

a)

hierbij ga je uit van de prijs die de afnemers, consumenten bereid zijn te betalen.

b)

hangt de prijs af van wat de concurrent ten aanzien van de prijs doet.

c)

zijn de kosten het belangrijkste uitgangspunt voor het bepalen van de prijs

18.

1. Hieronder zie je 5 concurrentiegeoriënteerde prijstellingen. Zet de juiste betekenis bij de juiste prijsstelling.

A Stay out pricing

B put out pricing

C me too pricing

D dumping

E backward pricing

1 tegen zeer lage prijzen, onder de marktprijs aanbieden van producten.

2 prijs verlagen zodat concurrenten weggaan.

3 prijs zo laag stellen dat potentiele concurrenten wegblijven.

4 prijs bepalen op basis van de prijs van de concurrentie

5 prijzen aanpassen als reactie op de concurrent

a)

1c-2d-3a-4b-5e

b)

1d-2b-5e-4a-5c

c)

1c-2e-3a-4b-5d

d)

1d-2b-3a-4e-5c

19.

Wanneer is een winkel verplicht om de adviesprijs van een leverancier op te volgen?

a)

bij de concurrentiegerichte prijsstellingsmethode

b)

bij de afnemersgerichte prijsstellingsmethode

c)

de wij zijn dikke vriendjes en doen dat wel even metode

d)

in geen enkele situatie

20.

Welke vorm van marketing is gericht op de korte termijn

a)

actie marketing

b)

direct marketing

c)

instant marketing

d)

1. kom-op-nou marketing

21.

Wat is geen voorbeeld van loyaliteitsmarketing

a)

spaarzegels

b)

5 wachtenden in de rij kassa erbij

c)

klantenkaart

d)

airmiles

22.

Zet de juiste doelgroep bij de juiste marketing vorm

a)

1a 2b

b)

1b,2a

23.

In de bovenstaande afbeelding zien we een voorbeeld van:

a)

inbound marketing

b)

zoekmachine marketing

c)

affiliate marketing

d)

advertising marketing

24.

Waar staan de volgende termen voor: Bricks-clicks-ticks staat voor

a)

strategie om zowel een fysieke vestiging als een online kanaal en met social media je op de klant te richten.

b)

strategie om met een fysieke winkel en webshop met een mobiele website je doelgroep te bereiken.

c)

het is multichannel geformuleerd naar de standaard van internet 2.0

d)

een strategie om de fysieke winkel over te laten gaan in een mobiele website gekoppeld aan een webshop.