wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ecologie Bs 1,2,3 KGT

Total questions: 32

Worksheet time: 20mins

Name
Class
Date
1.

Welke voedselketen is juist

a)

gras - koe - mens

b)

mens - koe - gras

c)

mens --> koe --> gras

d)

gras --> koe --> mens

2.

Welke 4 verschillende niveaus bestudeert de ecologie?

a)

mensen, dieren, planten en levenloze natuur

b)

individu, populatie, levensgemeenschap en ecosysteem

c)

producenten, consumenten, reducenten en afvaleters

d)

producenten, consumenten 1e orde, cons. 2e orde, cons. 3e orde

3.
Een soortgenoot is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
4.
De zon is een biotische factor.
a)
juist
b)
onjuist
5.
In deze afbeelding zie je een:
a)
levensgemeenschap
b)
individu
c)
biotoop
d)
populatie
6.
Hoe noem je alle biotische en abiotische factoren samen?
a)
ecosysteem
b)
bioom
c)
biotoop
d)
biosfeer
7.
Hoe noem je alle biotische factoren samen.
a)
ecosysteem
b)
biotoop
c)
levensgemeenschap
d)
niche
8.

Wat is biodiversiteit?

a)

Het aantal verschillende dieren in een gebied.

b)

Het aantal verschillende organismen in een gebied.

c)

Het aantal verschillende planten in een gebied.

9.
Een prooidier is een abiotische factor.
a)
Juist
b)
Onjuist
10.
De kikker is een consument van de tweede orde.
a)
juist
b)
onjuist
11.
Hoe noemen we de groene planten in een voedselketen?
a)
autotroof
b)
heterotroof
c)
consumenten
d)
producenten
12.
Het koolmeesje is ...
a)
een producent.
b)
een consument van de eerste orde.
c)
een consument van de tweede orde.
d)
een consument van de derde orde.
13.
Hoe noemen we de bacteriën en schimmels in een voedselketen?
a)
afvaleters
b)
consumenten
c)
reducenten
14.

Een rups is ...

a)

een alleseter

b)

een consument van de eerste orde.

c)

een reducent

d)

een producent.

15.
Welke schakel in een voedselketen vormt altijd de basis?
a)
planten
b)
kleine diertjes
c)
kleine vogels
d)
roofvogel
16.
In een ecosysteem schommelen de populaties rondom een biologisch evenwicht.
a)
juist
b)
onjuist
17.
Het proces dat je in de afbeelding ziet noemen we....
a)
aanpassing.
b)
successie.
c)
biologisch evenwicht.
d)
optimaal.
18.

Hieronder staan vier definities van ecologie. Welke is de beste?

a)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en andere organismen onderzoekt

b)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en hun milieu onderzoekt

c)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en abiotische factoren onderzoekt

d)

Ecologie is het deel van de biologie dat de relaties tussen organismen en biotische factoren onderzoekt

19.

Welk van onderstaande antwoorden zijn voorbeelden van biotische factoren?

a)

Wind

b)

Voedselaanbod

c)

Bodemvochtigheid

d)

Soortgenoten

20.

Wat voor een consument is de vlinder?

a)

Consument van de eerste orde

b)

Consument van de tweede orde

c)

Consument van de derde orde

d)

De vlinder is geen consument

21.

Welke rol spelen bacteriën en schimmels in de kringloop van stoffen?

a)

Ze doen aan fotosynthese

b)

Ze zorgen dat niet biologisch afbreekbaar afval weer wordt opgeruimd

c)

Ze zorgen er voor dat voedingsstoffen uit afval weer beschikbaar komen voor planten

d)

Ze zijn consumenten

22.

Een konijn is een ...

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleester

23.

Een leeuw is een....

a)

planteneter

b)

alleseter

c)

vleeseter

24.

Biotische factoren zijn

a)

invloeden afkomstig van de levenloze natuur

b)

invloeden afkomstig van de levende natuur

c)

invloeden afkomstig van zon, wind, water

25.

Wat is de definitie van een populatie

a)

een groep individuen van verschillende soorten in een bepaald gebied

b)

een groep organismen in een bepaald gebied

c)

een groep individuen van dezelfde soort in een bepaald gebied , die zich onderling voortplanten

d)

een groep individuen die veel op elkaar lijken

26.
een leeuw is een
a)
reducent
b)
consument
c)
producent
27.

Een teek zuigt bloed van een mens. Hoe noemen we deze samenleving

a)

concurrentie

b)

Parasitisme

c)

samenwerking

d)

paarvorming

28.

Hoe noemen we het gebied dat dieren verdedigen tegen soortgenoten?

a)

symbiose

b)

paarvorming

c)

rangorde

d)

territorium

29.

Als dieren weten welke plek ze innemen in de populatie noemen we dit (a)  

30.

Op een stuk grasland komt de volgende voedselketen voor:

gras <- krekel <- vogel


Er wordt een gifstof over het land gespoten. Hierdoor sterven de krekels uit.

Wat gebeurt er met de populatiegrootte van de vogels?

a)

de populatiegrootte neemt toe

b)

de populatiegrootte neemt af

c)

de populatiegrootte blijft gelijk

31.

Het is paarseizoen. Vijf paar vogels willen een nestje bouwen in een struik waar plek is voor drie paar vogels.

Is dit een voorbeeld van concurrentie of samenwerking?

a)

concurrentie

b)

samenwerking

32.

De gobie (een vis) en de pistoolgarnaal leven samen. De pistoolgarnaal graaft een tunnel voor hem en de gobie. De pistoolgarnaal is vrijwel blind. Daarom waarschuwt de gobie de pistoolgarnaal als er een vijand in de buurt is. Als de vijand dan dichter in de buurt komt, dan schuilen ze samen in de tunnel.

Wat voor een soort relatie wordt in de bovenstaande tekst beschreven?

a)

concurrentie

b)

paarvorming

c)

parasitisme

d)

symbiose