wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

bloemen,vruchten en zaden

Total questions: 51

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

Welk orgaan heeft deze taak:

Zorgen voor de voortplanting, de ontwikkeling van vruchten en zaden.

a)

Wortels

b)

Stengels

c)

Bladeren

d)

Bloemen

2.
Wat zorgt er voor transport in stengels?
a)
Okselknop
b)
Buizen
c)
Vaten
d)
Lid
3.
Wat kan je aflezen aan de jaarringen van een boom?
a)
De leeftijd
b)
Hoe goed / slecht een boom het in zijn leven heeft gehad
c)
Leeftijd EN oe goed / slecht een boom het in zijn leven heeft gehad
d)
Niks
4.
Op welke manieren kunnen zaden / vruchten NIET worden verspreid?
a)
Door dieren
b)
Door de plant zelf
c)
Door de wind
d)
Door regen
5.
Een insectenbloem heeft in verhouding
a)
grote gekleurde kroonbaden
b)
grote groene kroonbladen
c)
kleine groene kroonbladen
d)
kleine gekleurde kroonbladen
6.
Een insectenbloem heeft meestal
a)
geen geur
b)
wel geur
7.

Een windbloem maakt

a)

geen nectar

b)

wel nectar

8.
Welk kenmerk zie je WEL bij een windbloem?
a)
Nectar
b)
Gele kleur
c)
Veel stuifmeelkorrels
d)
Lange meeldraden
9.
Stuifmeel gaat van de ene plant naar de andere plant.
Welk woord zoek ik?
a)
Bevruchting
b)
Bestuiving
c)
Ontkieming
10.
Een vruchtbeginsel groeit uit tot een..... en een zaadbeginsel groeit uit tot een...?
a)
Vrucht, bloem
b)
Zaad, bloem
c)
Vrucht, zaad
d)
Bloem, Zaad
11.
Wat heeft een plant nodig voor fotosynthese?
a)
Koolstofdioxide, licht en water
b)
Koolstofdioxide, licht en zuurstof
c)
Koolstofdioxide, water en zuurstof
d)
Licht, water en zuurstof
12.
Wat is een meeldraad??
a)
Vrouwelijke voortplantingsorgaan van de bloem.
b)
Dit wordt later een zaad.
c)
Mannelijke voortplantingsorgaan van de bloem.
d)
Bestuiving door insecten.
13.
Wat is een vruchtbeginsel?
a)
Dit wordt later een zaad.
b)
Dit wordt later een vrucht.
c)
Vrouwelijk voortplantingsorgaan van de bloem.
d)
Hieruit groeit een nieuwe plant.
14.
Wat is een stamper?
a)
Dit wordt later een zaad.
b)
Vrouwelijk voortplantingsorgaan.
c)
Mannelijk voortplantingsorgaan.
d)
Bestuiving gebeurt door insecten.
15.
Een plant noem je volwassen op het moment dat er bloemen groeien. Uit deze bloemen ontstaan vruchten met zaden
a)
Juist
b)
Onjuist
16.
Wat heeft het linkerblad wel wat het rechterblad niet heeft?
a)
Nerven
b)
Bladsteel
c)
Bladmoes
d)
Bladschijf
17.
Met welk onderdeel zit een blad aan de stengel vast?
a)
Bladmoes
b)
Bladsteel
c)
Bladschijf
18.

Welk nummer geeft het vruchtbeginsel aan?

a)

4

b)

6

c)

7

d)

8

19.

Aan een bonenplant groeien vijftig sperziebonen. In elke boon zitten vijf boontjes (zaden). Hoeveel stuifmeelkorrels zijn er minstens bij de bestuiving betrokken geweest?

a)

5

b)

50

c)

55

d)

250

20.
De bloemen van de plant zorgen voor
a)
stevigheid
b)
opname van water
c)
fotosynthese
d)
voortplanting
21.
Het vervoer van water met voedingsstoffen in een plant noemen we ...........
a)
stroming
b)
verdeling
c)
watersport
d)
transport
22.

Kunnen bijen insectenbloemen bestuiven?

a)

Ja

b)

Nee

23.

Zijn windbloemen groot en opvallend?

a)

Ja

b)

Nee

24.

Zijn zaden ontstaan uit vruchtbeginsels?

a)

Ja

b)

Nee

25.

Een stuifmeelkorrel van een roos valt op de stempel van de stamper van een andere roos.

a)

Wel bestuiving

b)

Geen bestuiving

26.

Wat past er bij windbloemen?

a)

grote kroonbladeren

b)

kleine kroonbladeren

c)

groene kroonbladeren

d)

felgekleurde kroonbladeren

27.

Wat past er bij insectenbloemen?

a)

veel stuifmeel

b)

weinig stuifmeel

c)

plakkerig stuifmeel

d)

rond en licht stuifmeel

28.

Wat past er bij windbloemen?

a)

de stempel en meeldraden zitten binnen in de bloem

b)

de stempel en de meeldraden hangen buiten de bloem

c)

wel nectar

d)

geen nectar

29.

Hoe heet onderdeel 1?

a)

meeldraad

b)

stuifmeelkorrel

c)

kern van de eicel

d)

stempel

30.

Hoe heet onderdeel 2?

a)

stempel

b)

stamper

c)

vruchtbeginsel

d)

zaadbeginsel

31.

Hoe heet onderdeel 3?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

kroonblad

d)

stuifmeelbuis

32.

Hoe heet onderdeel 4?

a)

eicel

b)

helmhokje

c)

kern van de stuifmeelkorrel

d)

kern van de eicel

33.

Hoe heet onderdeel 5?

a)

stempel

b)

vruchtbeginsel

c)

zaadbeginsel

d)

stijl

34.

Hoe heet onderdeel 6?

a)

vruchtbeginsel

b)

zaadbeginsel

c)

eicel

d)

stuifmeelkorrel

35.
Hoeveel zaadbeginsels zie je?
a)
1
b)
2
c)
5
d)
6
36.
Wat is de naam van deel 4?
a)
Bloemsteel
b)
Kelkblad
c)
Kroonblad
d)
Vruchtbeginsel
37.
Wat is de functie van deel 4?
a)
Nectar maken
b)
Stuifmeel maken
c)
Bescherming
d)
Insecten lokken
38.
Wat is de naam van het hele orgaan?
a)
Meelknop
b)
Helmknop
c)
Helmdraad
d)
Meeldraad
39.

Kijk naar afbeelding hierboven. Bij het steeltje van de tomaat zie je vaak nog groene blaadjes zitten.

Van welk deel van de bloem zijn deze blaadjes de resten?

a)

Van de kroonbladeren.

b)

Van de kelkbladeren.

c)

Van de meeldraden.

d)

Van de stamper.

40.

Je blaast een uitgebloeide paardenbloem leeg. Wat blaas je dan weg?

a)

de zaden

b)

het stuifmeel

c)

de kroonbladeren

d)

de kelkbladeren

41.

Welk voordeel heeft zaadverspreiding?

a)

Alle dieren kunnen bij de zaden om ze op te eten.

b)

De zaden hebben meer ruimte om te groeien wanneer ze verspreid worden.

c)

Het is leuk voor mensen met hooikoorts.

d)

De bijen kunnen zo beter bij de bloem komen.

42.

Hoe worden de zaden van deze plant verspreid?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de plant zelf

43.

Hoe worden de zaden van deze plant verspreid?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de plant zelf

44.

Hoe worden de zaden van deze plant verspreid?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de plant zelf

45.

Hoe worden de zaden van deze plant verspreid? dieren

a)

door de wind

b)

door de plant zelf

c)

door dieren

46.

Hoe worden de zaden van deze plant verspreid?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de plant zelf

47.

Hoe worden deze zaden verspreid?

a)

door dieren

b)

door de wind

c)

door de plant zelf

48.

Kijk naar de afbeelding. Eten we hiervan de vruchten of de zaden?

a)

de vruchten

b)

de zaden

c)

de vruchten en de zaden

49.

Kijk naar de afbeelding. Eten we hiervan de vruchten of de zaden?

a)

de vruchten

b)

de zaden

c)

de vruchten en de zaden

50.

Kijk naar de afbeelding. Eten we hiervan de vruchten of de zaden?

a)

de vruchten

b)

de zaden

c)

de vruchten en de zaden

51.

Kijk naar de afbeelding. Eten we hiervan de vruchten of de zaden?

a)

de vruchten

b)

de zaden

c)

de vruchten en de zaden