wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

SNT_1.1._Subject en verbum door elkaar

Total questions: 10

Worksheet time: 5mins

Name
Class
Date
1.

SUBJECT -> Meryem krijgt een cadeautje voor haar verjaardag.

a)

krijgt

b)

Meryem

c)

een cadeautje

d)

verjaardag

2.

SUBJECT -> Het blonde meisje vraagt iets in de klas.

a)

Het meisje

b)

Het blonde meisje

c)

Meisje

d)

vraagt

3.

VERBUM -> De broer van Razvan woont in een appartement.

a)

De broer

b)

De broer van Razvan

c)

woont

d)

in een appartement

4.

SUBJECT -> Meneer Thijs en Meneer Maarten spelen gitaar.

a)

Meneer Thijs

b)

Meneer Maarten

c)

Meneer Thijs en Meneer Maarten

d)

Thijs en maarten

5.

VERBUM -> Leest Otylja een leuk boek?

a)

Leest

b)

Marwa

c)

een

d)

leuk boek

6.

SUBJECT -> Die dikke man loopt elke dag in het park.

a)

man

b)

Die man

c)

Die dikke man

d)

loopt

7.

VERBUM -> De mooie vrouw rookt een sigaret.

a)

De mooie vrouw

b)

vrouw

c)

rookt

d)

een sigaret

8.

VERBUM -> Doe jij het blikje in de vuilnisbak?

a)

jij

b)

Doe

c)

het blikje

d)

in de vuilnisbak

9.

SUBJECT -> Jij en je zus gamen op de Playstation.

a)

Jij

b)

je zus

c)

gamen

d)

Jij en je zus

10.

VERBUM -> De man en de vrouw trouwen in de kerk.

a)

De man en de vrouw

b)

trouwen

c)

in de kerk

d)

De man