wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

H3 Europa van bergen naar zee klas 2

Total questions: 38

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.

Welke 4 vervoerders van verweringsmateriaal zijn er?

a)

Wind, water, rivieren en gletsjers

b)

Wind, water, ijs en rivieren

c)

Wind, water, ijs en zwaartekracht

d)

Wind, zand, water en zwaartekracht

2.

Erosie en verwering zijn voorbeelden van

a)

Exogene krachten, krachten die van binnenuit op de aarde inwerken

b)

Exogene krachten, krachten die van buitenaf op de aarde inwerken

c)

Endogene krachten, krachten die van binnenuit op de aarde inwerken

d)

Endogene krachten, krachten die van buitenaf op de aarde inwerken

3.

Platentektoniek is een voorbeeld van

a)

een endogene kracht

b)

een exogene kracht

4.

reliëf is

a)

de hoogteligging van een plek

b)

hoogteverschillen in het landschap

5.

Hoe hoog ligt een laagland?

a)

de meeste toppen zijn hoger dan 1500 meter

b)

de meeste toppen zijn tussen de 500 m en 1500 meter hoog

c)

de meeste toppen zijn tussen de 200 m en 500 meter hoog

d)

alle toppen zijn lager dan 200 meter

6.

Een gebied met weinig of geen reliëf noemen we een:

a)

laagvlakte

b)

hoogvlakte

c)

vlakte of plateau

7.

Een ander woord voor mechanische verwering is

a)

chemische verwering

b)

fysische verwering

8.

Bij welke vorm van verwering valt het gesteente uit elkaar, zonder van samenstelling te veranderen?

a)

Mechanische/fysische verwering

b)

Chemische verwering

9.

Door welke omstandighedenq wordt de mate van verwering bepaald?

a)

Temperatuur

b)

Neerslag

c)

Vorst

d)

Temperatuur en neerslag

10.

Bij een hoge temperatuur en bij een hoge hoeveelheid neerslag vindt er veel:

a)

chemische verwering plaats

b)

mechanische/fysische verwering plaats

11.

Bij een lage temperatuur, weinig neerslag en soms vorst vindt er veel:

a)

chemische verwering plaats

b)

mechanische/fysische verwering plaats

12.

Druipsteengrotten met veel stalagmieten en stalactieten zijn een vorm van:

a)

chemische verwering

b)

mechanische/fysische verwering

13.

Bij welke exogene kracht wordt gesteente NIET verplaatst door een transportkracht/vervoerder?

a)

Erosie

b)

Verwering

14.

Een natuurlijke zone (dezelfde vegetatie/plantengroei) op een berg heet een

a)

gordel

b)

cultuurgrond

c)

hoogtegordel

d)

rotsgordel

15.

Een ander woord voor ijstijd is

a)

glaciaal

b)

interglaciaal

16.

Een rivier slijt een dal uit in de vorm van de letter

a)

V, dus het is een V-dal

b)

U, dus het is een U-dal

17.

Een gletsjer slijt een dal uit in de vorm van de letter

a)

V, dus het is een V-dal

b)

U, dus het is een U-dal

18.

De beste omschrijving van een gletsjer is

a)

firnbekken met een rivier van ijs

b)

een rivier van ijs die steeds verder richting het dal schuift

c)

firnbekken

d)

firnbekken en een ijstong die steeds verder naar het dal schuiven

19.

Zijmorene

a)

is het materiaal onder de gletsjer

b)

is het materiaal aan de zijkant van de gletsjer

c)

is materiaal aan het einde van de gletsjer dat de gletsjer voor zich uitschuift

20.

Nummer 1:

a)

Hangdal

b)

Gletsjer

c)

Firnbekken

d)

Ijstong

21.

Nummer 3:

a)

Eindmorene

b)

Zijmorene

c)

Gletsjermeer

d)

Gletsjertunnel

22.

Nummer 6:

a)

U-dal

b)

Gletsjerrivier

c)

Gletsjermeer

d)

Hangdal

23.

Nummer 5:

a)

U-dal

b)

Gletsjerrivier

c)

Gletsjermeer

d)

Hangdal

24.

Gesteente wordt afgesleten door wind, water, ijs of zwaartekracht en wordt hierbij verplaatst door wind, water, ijs of zwaartekracht. Dit gaat over:

a)

Verwering

b)

Erosie

25.

Gesteente valt uit elkaar en kan veranderen van samenstelling, maar gesteente blijft wel op dezelfde plek. Dit gaat over:

a)

Verwering

b)

Erosie

26.

Endogene krachten plooien de aardkorst, exogene krachten slijten de aardkorst juist af

a)

Juist

b)

Onjuist

27.

Land B is:

a)

Oostenrijk

b)

Duitsland

c)

Tsjechië

d)

Zwitserland

28.

Plaats 5 is:

a)

Salzburg

b)

Wenen

c)

München

d)

Bern

29.

Plaats 1 is:

a)

Genève

b)

Wenen

c)

Milaan

d)

Bern

30.

In het verleden deden bergboeren in de Alpen aan seizoensmigratie: in de zomer verbleven ze in de alpenweiden, in de winter in het dal

a)

Juist

b)

Onjuist

31.

Als je omhoog loopt in de Alpen kom je verschillende hoogtegordels tegen:

a)

Als allereerst de naaldbomen; als laatst de eeuwige sneeuw

b)

Als eerst kom je de loofbomen tegen; dan de alpenweiden

c)

Als eerst kom je de naaldbomen tegen; dan de loofbomen

d)

Als eerst kom je de loofbomen tegen; dan de naaldbomen

32.

Door het aanleggen van tunnels in de Alpen, zullen er meer toeristen komen. Wat is nog een gevolg?

a)

Meer milieuvervuiling

b)

Minder milieuvervuiling

33.

Wat is NIET zichtbaar in het landschap als een gletsjer is gesmolten?

a)

Gletsjermeer

b)

U-dal

c)

Hangdal

d)

Gletsjertunnel

e)

Eindmorene

34.

We leven nu in een

a)

glaciale periode

b)

interglaciale periode

35.

A is:

a)

Skagerak

b)

Noordelijke IJszee

c)

Bergen

d)

Sognefjord

36.

Toen de koudste ijstijd was in Nederland (2 antwoorden goed)

a)

kwam er landijs (gletsjer) vanuit Scandinavië naar Nederland

b)

Nam landijs zwerfkeien mee (hunebedden)

c)

Was het warm in Nederland

d)

Kwam er landijs (gletsjer) vanuit de Alpen naar Nederland

37.

Wat voor gebergte is de Alpen?

a)

Laaggebergte, oud gebergte

b)

Hooggebergte, jong gebergte

c)

Plooiingsgebergte, hooggebergte, jong gebergte

d)

Plooiingsgebergte, hooggebergte, oud gebergte

38.

Hier zien we een voorbeeld van

a)

erosie

b)

verwering