wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Zinsleer

Total questions: 53

Worksheet time: 38mins

Name
Class
Date
1.

WWG of NWG: Ik ben vandaag zeer blij.

a)

WWG : ben

b)

NWG : ben

c)

NWG : ben + zeer blij

d)

NWG : ben + vandaag zeer blij

2.

Wat is mijn pv?

Waar zullen ze de dieren onderbrengen?

a)

zullen

b)

onderbrengen

3.

Dit wist je vast niet!

Wat is het onderwerp?

a)

dit

b)

je

c)

wist

d)

niet

4.

Wat is hier het volledige WWG?

Tinneke heeft gisteren gevoetbald met de meisjes.

a)

heeft

b)

gevoetbald

c)

heeft gevoetbald

5.

Is het een WWG of NWG ?

Alle ribben zijn van de ruggengraat losgemaakt.

a)

WWG

b)

NWG

6.

Wat is het onderwerp en de pv? (Let op de volgorde)

Twee voorwerpen waren duidelijk te zien.

a)

Twee voorwerpen

b)

Twee voorwerpen waren te zien

c)

waren twee voorwerpen

d)

Twee voorwerpen waren

7.

NWG of WWG?

Een operatie leek onvermijdelijk.

a)

NWG : leek

b)

WWG : leek

c)

NWG : leek onvermijdelijk

d)

WWG : een operatie leek

8.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Bij de afdaling van een berg ontdekten toeristen een gletsjerlijk.

a)

toeristen

b)

bij de afdaling

c)

bij de afdaling van een berg

d)

een gletsjerlijk

9.

Wat is het meewerkend voorwerp in deze zin?

Ik vertel mijn ouders elke dag een leugen.

a)

een leugen

b)

elke dag

c)

mijn ouders

d)

ik

10.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Anne is een lieve dame.

a)

Anne

b)

Een lieve dame

c)

Geen LV mogelijk

11.

Wat is het lijdend voorwerp in de volgende zin?

Fleur verklapt een geheimpje aan haar beste vriendin.

a)

een geheimpje

b)

niet mogelijk

c)

Fleur

d)

aan haar beste vriendin

12.

Geef mij het meewerkend voorwerp.

Aan de buitenlandse meisjes heeft de coach een extra training.

a)

de coach

b)

een extra training

c)

heeft

d)

aan de buitenlandse meisjes

13.

Wat is het lijdend voorwerp?

Jongens in de puberteit zoeken uitdagingen.

a)

Jongens

b)

in de puberteit

c)

uitdagingen

d)

zoeken

14.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De leerkrachten leren jullie nieuwe dingen aan.

a)

nieuwe dingen

b)

leren aan

c)

geen mogelijk

d)

jullie

15.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De coach besprak de tactiek met de kinderen.

a)

de coach

b)

de tactiek

c)

de kinderen

d)

besprak

16.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Plotseling hoorden we een hoge pieptoon.

a)

plotseling

b)

hoorden

c)

pieptoon

d)

een hoge pieptoon

17.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Zij liet het estafettestokje bijna vallen.

a)

Zij

b)

estafettestokje

c)

het estafettestokje

d)

vallen

18.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Kun je het lijdend voorwerp vinden in deze zin?

a)

het lijdend voorwerp

b)

in deze zin

c)

kun je vinden

d)

vinden

19.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Jens kreeg veel cadeautjes voor zijn verjaardag.

a)

Jens

b)

voor zijn verjaardag

c)

cadeautjes

d)

veel cadeautjes

20.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Mijn oma vindt het schilderij van Jeroen Bosch heel mooi.

a)

het schilderij

b)

mijn oma

c)

het schilderij van Jeroen Bosch

d)

heel mooi

21.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

Hij liet op zijn mobieltje een gekke foto zien.

a)

op zijn mobieltje

b)

een gekke foto

c)

hij

d)

liet zien

22.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De politie nam de insluiper mee naar het bureau.

a)

De politie

b)

de insluiper

c)

het bureau

d)

naar het bureau

23.

Wat is het lijdend voorwerp in deze zin?

De boze juf gooide een stift door de klas.

a)

De boze juf

b)

gooide

c)

een stift

d)

door de klas.

24.

Zoek het wwg:

Wat heeft je vriendin jou eigenlijk verteld?

a)

wat verteld

b)

heeft verteld

c)

jou

d)

verteld

25.

Zoek het wwg:

De terroristen hebben extreem gewelddadig gehandeld.

a)

de terroristen

b)

gehandeld

c)

hebben gehandeld

d)

hebben extreem gehandeld

26.

Zoek het onderwerp

Niemand was bij de intocht van Sinterklaas onder de indruk van de rode Pieten.

a)

de intocht van Sinterklaas

b)

de rode Pieten

c)

de indruk

d)

niemand

27.

Zoek het onderwerp:

Zijn complete platenverzameling heeft mijn opa aan zijn liefste kleinkind gegeven.

a)

platenverzameling

b)

zijn complete platenverzameling

c)

mijn opa

d)

zijn liefste kleinkind

28.

Zoek de pv:

Doorgaans hebben Bob en Dirk weinig tijd aan hun huiswerk besteed.

a)

hebben

b)

hebben besteed

c)

Bob en Dirk

d)

huiswerk

29.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Marion heeft de straatmuzikant haar laatste wisselgeld gegeven.

a)

Marion

b)

de straatmuzikant

c)

haar wisselgeld

d)

haar laatste wisselgeld

30.

Zoek het lijdend voorwerp:

Kleding kopen mijn vriendinnen altijd in de uitverkoop.

a)

kleding

b)

mijn vriendinnen

c)

vriendinnen

d)

uitverkoop

31.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Leerlingen van het vierde jaar geven geld aan Warchild.

a)

het vierde jaar

b)

leerlingen

c)

aan Warchild

d)

geld

32.

Zoek het meewerkend voorwerp:

Ze vragen daarom leerlingen om flessen te sparen.

a)

leerlingen

b)

ze

c)

flessen

d)

vragen

33.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Ze legde haar hand op zijn hand.

a)

Ze

b)

legde

c)

haar hand

d)

zijn

34.

Wat is de persoonsvorm in deze zin?

Heeft de hond een bruine vacht?

a)

Heeft

b)

hond

c)

de hond

d)

vacht

35.

Wat is het onderwerp?

Door veel te sporten maak je spieren aan.

a)

Door

b)

Door veel te sporten

c)

maak

d)

je

36.

Wat is het onderwerp?

Wie dit ziet, wordt bang.

a)

Wie

b)

bang

c)

wie dit ziet

d)

wie dit

37.

Wat is het onderwerp?

Tegenwoordig jagen volwassenen ook op Pokemon.

a)

Tegenwoordig

b)

Volwassenen

c)

Pokemon

38.

Wat is het lijdend voorwerp?

Columbus ontdekte Amerika in 1492.

a)

Columbus

b)

Amerika

c)

in 1492

39.

Wat is het lijdend voorwerp?

Milo loste de puzzel op.

a)

Milo

b)

de puzzel

c)

op

40.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Mario verklapte mij een geheim.

a)

Mario

b)

een geheim

c)

verklapte

d)

mij

41.

Wat is het meewerkend voorwerp?

De trainer gaf de spelers extra oefeningen.

a)

De trainer

b)

de spelers

c)

extra oefeningen

42.

Wat is het meewerkend voorwerp?

Je mag de rekening aan papa geven.

a)

Je

b)

de rekening

c)

aan papa

43.

Wat is het onderwerp in deze zin?

Welke resultaten kloppen echt?

a)

Welke

b)

resultaten

c)

welke resultaten

d)

kloppen

44.
Ik heb gisteren shoarma gegeten.
a)
wwg: heb gegeten
b)
wwg: heb shoarma gegeten
c)
nwg: heb shoarma gegeten
d)
nwg: heb gisteren gegeten
45.
Zouden jullie mij de ketchup even willen geven?
a)
wwg: zouden geven
b)
wwg: zouden willen geven
c)
nwg: zouden de ketchup geven
d)
nwg: zouden de ketchup willen geven
46.
In periode 3 worden de resultaten vaak beter.
a)
wwg: worden
b)
wwg: worden beter
c)
nwg: worden beter
d)
nwg: worden de resultaten beter
47.
Hij is altijd aardig tegen me gebleven.
a)
wwg: is gebleven
b)
wwg: is aardig gebleven
c)
nwg: is gebleven
d)
nwg: is aardig gebleven
48.
Waar liggen mijn sleutels?
a)
wwg: liggen
b)
wwg: liggen mijn sleutels
c)
nwg: liggen mijn sleutels
d)
nwg: waar liggen
49.
H3B is de beste havoklas.
a)
wwg: is
b)
wwg: is havoklas
c)
nwg: is de beste
d)
nwg: is de beste havoklas
50.
Mijn broer heeft gisteren een Tesla gekocht.
a)
wwg: heeft
b)
wwg: heeft gekocht
c)
nwg: heeft gisteren gekocht
d)
nwg: heeft een Tesla gekocht
51.
Je zult dat toch echt aan je ouders moeten vragen.
a)
wwg: zult vragen
b)
wwg: zult moeten vragen
c)
nwg: zult dat moeten vragen
d)
nwg: zult aan je ouders vragen
52.
De verlichting op mijn kamer is stukken beter geworden.
a)
wwg: is
b)
wwg: is geworden
c)
nwg: is geworden
d)
nwg: is stukken beter geworden
53.
Wij moesten tijdens de pauze in lokaal B10 blijven.
a)
wwg: moesten
b)
wwg: moesten blijven
c)
nwg: moesten tijdens de pauze blijven
d)
nwg: moesten in lokaal B10 blijven.