wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

t2 H4 produceren

Total questions: 24

Worksheet time: 18mins

Name
Class
Date
1.
Hoe kunnen hogere lonen leiden tot een hogere arbeidsproductiviteit?
a)
De kwaliteit van de producten wordt beter.
b)
De motivatie van het personeel wordt beter.
c)
Er komen meer personeelsleden bij.
d)
Het personeel werkt langer.
2.
De minister heeft een subsidie toegezegd van €750.000 voor het project leren & werken. Het project wil mensen stimuleren verder te leren en een hoger opleidingsniveau te halen.Door welke maatregelen kun je de arbeidsproductiviteit nog meer verhogen?
a)
Meer personeel aannemen.
b)
Betere arbeidsomstandigheden
c)
een medewerker zoveel mogelijk verschillende taken laten doen.
d)
Werknemers meer uren laten werken.
3.
Ford produceert 189.500 auto's. Een jaar later breidt Ford de productiecapaciteit van de fabriek uit tot 300.000. In dat jaar worden er 225.000 auto's geproduceerd.Is de productie onder- of overbezet?
a)
onderbezet
b)
overbezet
4.

Het verlenen van een dienst is:

a)

Het maken van een brood.

b)

Een vakantiereis organiseren.

c)

Het maken van een paar schoenen.

d)

Een film in de bioscoop bezoeken.

5.

Welke bedrijven produceren goederen?

a)

groenteboer, Blokker, Jumbo

b)

reisburo, transportbedrijf, tandarts

c)

Albert Heijn, kledingzaak, schoenenwinkel

d)

fietsenfabriek, drukkerij van boeken, broodfabriek

6.

Hoe noem je een schema dat de weg laat zien van grondstof tot eindproduct?

a)

Waterkolom

b)

Oerproducent

c)

Bedrijfskolom

d)

Het goede antwoord staat er niet bij

7.

Wat staat er in een bedrijfskolom altijd bovenaan?

a)

Producent

b)

Agrariër

c)

Consument

d)

Detailhandel

8.

In welk rijtje staan alleen maar grondstoffen?

a)

graan, computer, aardappelen

b)

computergame, groente, leer

c)

bomen, melk, ijzererts

d)

schoolboek, smartphone, T-shirt

9.

Wat zijn voorbeelden van dienstverlenende bedrijven?

a)

tandartsen, reisburo's

b)

akkerbouwbedrijven, veeteeltbedrijven

c)

autofabriek, fietsenfabriek

d)

huisartsen, broodfabriek

10.

Waar halen agrarische bedrijven hun grondstoffen vandaan?

a)

Uit de natuur

b)

Uit de industrie

c)

Bij andere fabrieken

d)

Het goede antwoord staat er niet bij

11.

Is hier sprake van een dienst of van een goed?

a)

een dienst

b)

een goed

c)

het goede antwoord staat er niet bij

d)

beide

12.

Van links naar rechts is de goede volgorde:

a)

industrieel, dienstverlenend, agrarisch

b)

industrieel, agrarisch, dienstverlenend

c)

agrarisch, industrieel, dienstverlenend

d)

dienstverlenend, agrarisch, dienstverlenend

13.

Als je iets koopt moet je BTW betalen. Wat betekent BTW?

a)

belasting over de toegevoegde waarde

b)

bijzonder toegevoegde waarde

c)

belasting op de toegevoegde waarde

d)

het goede antwoord staat er niet bij

14.

Hoeveel procent is de BTW in Nederland?

a)

6 en 19

b)

5 en 25

c)

3 en 21

d)

9 en 21

15.

Wat mag de winkelier met de BTW doen?

a)

zelf houden

b)

betalen aan de overheid

c)

aan een andere winkelier geven

d)

uitlenen aan een andere winkelier

16.

Het bedrag zonder BTW is € 2,-. De BTW is 21%, hoeveel is het bedrag inclusief BTW?

a)

€ 2,-

b)

€ 2,12

c)

€ 2,20

d)

€ 2,42

17.

Als de BTW 21% is, welk deel van de prijs (exclusief BTW) moet je dan bij de prijs optellen?

a)

ongeveer 1/2 deel

b)

ongeveer 1/3 deel

c)

ongeveer 1/4 deel

d)

ongeveer 1/5 deel

18.

Produceren doe je in een aantal stappen. Deze stappen heten ook wel de .....

a)

productietermijnen

b)

productiefasen

c)

productiedelen

19.

Wie staan er in een bedrijfskolom?

a)

alle bedrijven die ervoor zorgen dat een product gemaakt worden

b)

alle productiefasen van een product

c)

alle mensen die samen in het bedrijf werken

20.

In een bedrijfskolom komt een product tot stand. Hoe heet de waardevermeerdering die er bij iedere schakel in de bedrijfskolom bij komt?

a)

waardeplus

b)

toegevoegde waarde

c)

meerwaarde

d)

waardetoevoeging

21.

Produceren kost geld. Hoe heten alle kosten die je maakt bij het produceren?

a)

kostprijs

b)

productiekosten

c)

maakkosten

d)

kostenpost

22.

Alle bedrijven kunnen in verschillende groepen verdeeld worden. Zo'n groep noem je een ....

a)

productiegroep

b)

bedrijfskolom

c)

productiesector

d)

bedrijfssector

23.

Onder welke productiesector vallen de boerderijen?

a)

dienstverlenende sector

b)

agrarische bedrijven

c)

industriele bedrijven

d)

onderwijs

24.

Hoe reken je de kostprijs van 1 product uit?

a)

alle productiekosten x aantal producten

b)

aantal producten : alle productiekosten

c)

alle productiekosten : aantal producten

d)

aantal producten x alle productiekosten