wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Toets Nederlands H3 - meneer Schutte

Total questions: 50

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je het eerste deel van een tekst?

a)

start

b)

middenstuk

c)

inleiding

d)

slot

2.

Bekijk tekst 1 op je blad.

Wat zie je op het plaatje?

a)

zoetigheid

b)

een salade

c)

een soort soep

d)

een gezonde snack

3.

Wat is het onderwerp van de tekst?

a)

gezonde schoolkantine

b)

gezond eten

c)

Wellantcollege

d)

voedsel is belangrijk

4.

Waar of niet waar?

Alinea 1 is de inleiding van de tekst.

a)

waar

b)

niet waar

5.

Waar of niet waar?

In de inleiding van de tekst maak je kennis met het onderwerp door een grappig verhaaltje.

a)

waar

b)

niet waar

6.

Waar of niet waar?

Het middenstuk van de tekst heeft drie alinea's.

a)

waar

b)

niet waar

7.

Waar of niet waar?

Alinea 4 is het slot van de tekst.

a)

waar

b)

niet waar

8.

Lees de tekst nog een keer helemaal.

Een gezonde kantine is leuk en belangrijk. Maar er is nog een reden voor het Wellantcollege om een gezonde kantine te hebben. Welke?

a)

De gezonde kantine zorgt voor veel gezelligheid binnen het Wellantcollege.

b)

De gezonde kantine is eigenlijk helemaal niet leuk en belangrijk.

c)

De gezonde kantine is een plek waar ook de leraren een verantwoorde snack kunnen eten als ze trek hebben tussen de middag.

d)

De gezonde kantine sluit goed aan bij de lesstof van het vak Verwerking Agrarische Producten.

9.

Aan welke wedstrijd doet het Wellantcollege mee?

a)

De wedstrijd van de gezondste school van Nederland.

b)

De wedstrijd om de gezondste schoolkantine van Nederland.

c)

De wedstrijd van het beste vak Verwerking Agrarische Producten.

d)

De wedstrijd "gezond is leuk".

10.

Aan welk woord in alinea 4 kun je zien dat het belangrijkste herhaald wordt?

a)

levert

b)

dus

c)

gezonde

d)

leuk

11.

Welk voorbeeld van gezond voedsel staat in de tekst?

a)

gezonde lunch

b)

gezonde snacks

c)

lekkere salades

d)

snoepautomaten

12.

Noteer de betekenis van het onderstreepte woord.

Onze school beschikt over drie computerlokalen.

a)

heeft

b)

wil

c)

had

d)

is geschikt

13.

Noteer de betekenis van het onderstreepte woord.

In de trein mag je uitsluitend reizen met een geldig vervoersbewijs.

a)

misschien

b)

dicht doen

c)

alleen maar

d)

soms

14.

Noteer de betekenis van het onderstreepte woord.

De temperatuur in het lokaal was aangenaam, dus niemand had het koud.

a)

matig

b)

slecht

c)

prettig

d)

bijzaak

15.

Verander het woord, zodat het past.

toenemen - De ... van het aantal leden maakte de club steeds gezelliger.

a)

toename

b)

toenemen

c)

toenam

d)

nam toe

16.

Verander het woord, zodat het past.

interessant - Hij heeft totaal geen ... in voetbal.

a)

interessant

b)

interesseren

c)

interesse

d)

interessente

17.

Met hoeveel klinkers schrijf je een lange klank aan het einde van een lettergreep?

a)

met één klinker

b)

met twee klinkers

c)

met drie klinkers

d)

zonder klinkers

18.

Hoe vind je de stam van het werkwoord?

a)

door het hele werkwoord te nemen

b)

door het werkwoord langer te maken

c)

door het werkwoord in te korten

d)

door het werkwoord om te draaien

19.

Welke woorden hebben een korte klank?

helm - zweer - scherm - sterk - stuur - bok - stoot - mus - ook - hart - vaas

a)

helm - scherm - sterk - stuur - bok - hart

b)

zweer - scherm - stuur- stoot - ook - vaas

c)

scherm - stuur - bok - mus - hart - vaas

d)

helm - scherm - sterk - bok - mus - hart

20.

Kies het goede woord.

De docent vertelt mooie verhaalen/verhalen.

a)

verhaalen

b)

verhalen

21.

Kies het goede woord.

Ik timmer breede/brede planken/plaanken aan de muur.

a)

brede plaanken

b)

breede plaanken

c)

breede planken

d)

brede planken

22.

Kies het goede woord.

Op mijn bord liggen drie tomaaten/tomaten.

a)

tomaaten

b)

tomaten

23.

Kies het goede woord.

Deze sinaasappels zijn te zur/zuur.

a)

zur

b)

zuur

24.

Schrijf dit woord in lettergrepen: advertentie

a)

ad - ver - tentie

b)

adver - tentie

c)

ad - ver - tent - ie

d)

ad - ver - ten - tie

25.

Schrijf dit woord in lettergrepen: tafellaken

a)

taf - ell - ak - en

b)

ta - fe - llak - en

c)

ta - fel - la - ken

d)

tafel - laken

26.

Vul de stam van het werkwoord in.

Waarschijnlijk ... (vinden) ik jouw haar er mooier uitzien als het blon... is.

a)

vind

b)

vindt

c)

vin

d)

vinden

27.

Vul in of het woord met een 'd' of een 't' moet.

Waarschijnlijk ... (vinden) ik jouw haar er mooier uitzien als het blon... is.

a)

blont

b)

blond

28.

Vul de stam van het werkwoord in.

...(Gaan) jij even een momen... afkoelen op de gang!

a)

Gaan

b)

Gaa

c)

Ga

d)

Goh

29.

Vul in of het woord met een 'd' of een 't' moet.

...(Gaan) jij even een momen... afkoelen op de gang!

a)

momend

b)

moment

30.

Vul de stam van het werkwoord in.

Morgen ...(geven) ik dat boeke... bloemen aan mijn moeder.

a)

gev

b)

geev

c)

gef

d)

geef

31.

Vul in of het woord met een 'd' of een 't' moet.

Morgen ...(geven) ik dat boeke... bloemen aan mijn moeder.

a)

boeket

b)

boeked

32.

Vul de stam van het werkwoord in.

Ik ...(interviewen) jouw docen... met veel plezier!

a)

interfiew

b)

interview

c)

intervieuw

d)

interfieuw

33.

Vul in of het woord met een 'd' of een 't' moet.

Ik ...(interviewen) jouw docen... met veel plezier!

a)

docend

b)

docent

34.

Vul de stam van het werkwoord in.

Waarom ...(wijzen) je naar het weerberich... van gisteren?

a)

wijs

b)

wijz

c)

weis

d)

wijz

35.

Vul in of het woord met een 'd' of een 't' moet.

Waarom ...(wijzen) je naar het weerberich... van gisteren?

a)

weerbericht

b)

weerberichd

36.

Welke woorden zijn goed?

In jul... zijn er weinig f...les, omdat veel mensen met vakant... zijn.

a)

julie - files - vakantie

b)

juli - fieles - vakantie

c)

julie - fieles - vakanti

d)

juli - files - vakantie

37.

Welke woorden zijn goed?

Margien heeft veel fantas... en schrijft een gr...zelig verhaal over een bab...

a)

fantasie - griezelig - babie

b)

fantasie - griezelig - baby

c)

fantasie - grizelig - baby

d)

fantasi - griezelig - babie

38.

Welke woorden zijn goed?

Maarten is heel muz...kaal en heeft als hobb... g...taarspelen.

a)

muzikaal - hobbie - gietaarspelen

b)

muziekaal - hobby - gitaarspelen

c)

muzikaal - hobby - gitaarspelen

d)

muziekaal - hobby - gitaarspelen

39.

Wat zijn de persoonsvorm en het onderwerp?

Morgen speelt Ajax tegen Feyenoord.

a)

pv= speelt ow= Ajax

b)

pv= tegen ow= Ajax

c)

pv= speelt ow= Feyenoord

d)

pv= tegen ow= Feyenoord

40.

Wat zijn de persoonsvorm en het onderwerp?

Na de blikseminslag zaten we gisteravond urenlang in het donker.

a)

pv= zaten ow= de blikseminslag

b)

pv= zaten ow= we

c)

pv= urenlang ow= donker

d)

pv= gisteravond ow= we

41.

Wat zijn de persoonsvorm en het onderwerp?

De luchtballon stortte neer in het weiland naast de snelweg.

a)

pv= stortte ow= het weiland

b)

pv= neer ow= de snelweg

c)

pv= naast ow= De luchtballon

d)

pv= stortte ow= De luchtballon

42.

Bij welk antwoord staan alleen lidwoorden en zelfstandige naamwoorden.

a)

De – hartslag - muis – per – minuut

b)

De – hartslag – van - muis – per

c)

De – van - een – hartslag – minuut

d)

De – een – muis – hartslag – minuut

43.

Waar of niet waar?

Als je een zelfstandig naamwoord in het meervoud zet, hoef je er alleen -en achter te zetten.

a)

waar

b)

niet waar

44.

Noteer de pv in de tegenwoordige tijd.

(behandel) … u dit later nog eens?

a)

behandel

b)

behandelt

c)

behandeld

d)

behandeldt

45.

Noteer de pv in de tegenwoordige tijd.

(gebeuren) Het … niet vaak dat ik te laat op school kom.

a)

gebeurde

b)

gebeurt

c)

gebeurdt

d)

gebeurd

46.

Noteer de pv in de tegenwoordige tijd.

(vinden) Die jongen uit de tweede … zichzelf er stoer.

a)

vindt

b)

vind

c)

vint

d)

vond

47.

Noteer de pv in de tegenwoordige tijd.

(niezen) Jij … door die verkoudheid wel heel erg veel.

a)

niesd

b)

niesde

c)

niest

d)

nieste

48.

Wat moet je doen om te horen of je -t of een -d aan het einde van het woord moet schrijven?

a)

goed luisteren als het woord voorgelezen wordt

b)

luisteren wat je hoort als je het woord langer maakt

c)

luisteren naar het verschil in uitspraak tussen de 'd' en de 't'

d)

dit is onmogelijk en moet je dus gewoon gokken

49.

Welke woorden zijn werkwoorden?

a)

boek - schrift - vakantie

b)

bouwvakker - lasser - timmerman

c)

huilend - dansend - speel

50.

Hoe schrijf je de stam van de volgende woorden?

blozen - vinden - remmen - douchen

a)

blooz - vindt - rem - douch

b)

bloos - vin - remm - douche

c)

blos - vint - rem - dou

d)

bloos - vind - rem - douch