wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Begrippentoets havo 5 module economische groei en conjunctuur

Total questions: 25

Worksheet time: 25mins

Name
Class
Date
1.

Wat is de betalingsbalans?

a)

De balans van alle bedrijven in een land samen

b)

Een overzicht van alle bezittingen en schulden van een land bij elkaar

c)

Een overzicht van alle transacties van een land met het buitenland

d)

De totale waarde van alle import en export van een land samen

2.

Wat is een economische kringloop?

a)

Een schematische weergave van alle geldstromen- en goederenstromen binnen een economie

b)

Een model waarin je de uitleg kunt zien van het nationaal inkomen

c)

Een schematische weergave van alle geld- en goederenstromen tussen het eigen land en het buitenland

d)

Een model waarmee economen aantonen dat het nationaal inkomen onder anderen import en export bevat

3.

Wat is de buitenlandse valutareserve?

a)

De hoeveelheid Euro's die de USA in kas heeft

b)

De hoeveelheid buitenlands geld dat een land in reserve heeft

c)

De hoeveelheid goud en buitenlandse valuta die door de centrale bank van een land in bewaring is genomen

d)

De hoeveelheid goud en commodity's die een land vanuit het buitenland in reserve heeft

4.

Wat is de Human Development index?

a)

Een index die aangeeft in hoeverre de economie van een land ontwikkelt: groeit

b)

Een indicator waaraan je kunt zien hoeveel welvaart er in een land is

c)

Een indicator waaraan je kunt hoe de welvaart binnen een land is verdeeld: inkomensverdeling

d)

Een indicator waarmee je de welvaart kunt meten gebaseerd op inkomen, scholing en hoe lang iemand gemiddeld leeft

5.

Wat is heffingskorting?

a)

De korting op de belasting nadat je de hypotheekaftrek van het belastbaar inkomen hebt gehaald

b)

De korting op jouw inkomstenbelasting en sociale premies

c)

De korting op de door jouw te betalen jaarlijkse belasting, berekend uit het belastbaar inkomen

d)

De korting die je krijgt op de belasting van je bruto inkomen

6.

Wat is het marginale belastingtarief?

a)

Het belastingtarief waarin je volgens box 3 zit

b)

Het belastingtarief waarin je zit na aftrek van de hypotheekrente

c)

Het belastingtarief, in procenten, waarin je zit met je laatst verdiende euro

d)

Het belastingtarief, in procenten, waarin je zit met je netto inkomen

7.

Wat is het belastbaar inkomen?

a)

Het inkomen waarover je geen inkomstenbelasting hoeft te betalen

b)

Het inkomen waarover je inkomstenbelasting moet betalen

c)

Het inkomen waarover je inkomstenbelasting moet betalen na de heffingskorting

d)

Het inkomen waarover je inkomstenbelasting moet betalen voor de hypotheekaftrek

8.

Wat is een vervangingsinvestering?

a)

Een investering met als doel hogere winsten behalen

b)

Een investering in kapitaalgoederen zodat het bedrijf groeit

c)

Een investering om opgebruikte kapitaalgoederen te vervangen

d)

Een investering om de afgeschreven goederen te kunnen betalen

9.

Wat is nivellering?

a)

Het beperken van de inkomensverschillen tussen arm en rijk, door de overheid, door degressieve belasting

b)

Het beperken van de inkomensverschillen tussen arm en rijk, door de overheid, door progressieve belasting

c)

Het beperken van de inkomensverschillen tussen arm en rijk, door de overheid, door middel van de BTW-verhoging van 6% naar 9%

d)

Het beperken van de inkomensverschillen tussen arm en rijk, door de overheid, via de vlaktaks

10.

Welke van de volgende formules is correct?

a)

Y = C + I + O + E + M

b)

Y = C + I + O + E - M

c)

Y = C + I - O + E + M

d)

Y = C + I + O - E + M

11.

Wat is de winstquote?

a)

De hoeveelheid winst als percentage van NBI

b)

De hoeveelheid winst als percentage van BBP

c)

De hoeveelheid winst als percentage van GDP

d)

De hoeveelheid winst als percentage van BBI

12.

Wat betekent 'dumping'?

a)

Het aanbieden van goederen aan het buitenland onder de kostprijs

b)

Het aanbieden van goederen aan het buitenland boven de kostprijs

c)

Het aanbieden van goederen uit het buitenland onder de kostprijs

d)

Het aanbieden van goederen uit het buitenland boven de kostprijs

13.

wat is de categoriale inkomensverdeling?

a)

De verdeling van het NBI over primaire en secundaire inkomens

b)

De verdeling van het NBI over primaire inkomens

c)

De verdeling van het NBI over secundaire inkomens

d)

De verdeling van het NBI over primaire, secundaire en tertiaire inkomens

14.

wat is contingentering?

a)

Het instellen van protectiemaatregelen

b)

Het instellen van invoerquota

c)

Het instellen van een embargo

d)

Het instellen van importheffingen

15.

Wat is het 'infant industry' argument?

a)

Bescherming van de regels over kinderarbeid

b)

Het niet handelen met landen die aan kinderarbeid doen

c)

Het beschermen van bedrijven die voor kinderen werken

d)

Het beschermen van jonge industrieën tegen buitenlandse bedrijven

16.

Wat is het werkloosheidspercentage?

a)

Het aantal werklozen als percentage van de beroepsbevolking

b)

Het aantal werklozen als percentage van de werkende populatie

c)

Het aantal werklozen als percentage van alle mensen tussen 15-67 jaar oud

d)

Het aantal werklozen als percentage van de bevolking

17.

Wat is het proportioneel tarief?

a)

Een belastingtarief dat afhankelijk is van de hoogte van het loon

b)

Een belastingtarief dat niet afhankelijk is van de hoogte van het inkomen

c)

Een belastingtarief dat afhankelijk is van de hoogte van het inkomen

d)

Een belastingtarief dat niet afhankelijk is van de hoogte van het loon

18.

Wat is een procyclische variabele?

a)

Een variabele die een tegengesteld patroon vertoont met de conjunctuurlijn

b)

Een variabele die een tegengesteld patroon vertoont aan de trendlijn

c)

Een variabele die een gelijkopgaand patroon vertoont met de conjunctuurlijn

d)

Een variabele die een gelijkopgaand patroon vertoont aan de trendlijn

19.

Wat is het geaggregeerde aanbod?

a)

Het totale aanbod van alle aanbieders van goederen in een samenleving

b)

Het totale aanbod van alle aanbieders van producten in een samenleving

c)

Het totale aanbod van alle aanbieders van goederen in een economie

d)

Het totale aanbod van alle aanbieders van producten in een economie

20.

Wat zijn inkomensoverdrachten?

a)

Alle belasting die mensen betalen uit een inkomen

b)

Uitkeringen die uitbetaald worden, waar geen tegenprestatie voor wordt verwacht

c)

Alle belasting en sociale premies die mensen betalen uit een inkomen

d)

Uitkeringen die uitbetaald worden, waar een tegenprestatie voor wordt verwacht

21.

Wat is het depositogarantiestelsel?

a)

De infrastructuur van alle post- en vervoersbedrijven samen

b)

Alle spaargelden in een land samen

c)

Het deel van het nationaal inkomen dat gespaard wordt

d)

Het stelsel dat ervoor zorgt dat spaargeld tot €100.000 wordt gegarandeerd door de overheid

22.

Wat wordt bedoeld met het langetermijngroeipad?

a)

Economisch evenwicht in een economie op de lange termijn

b)

Macro-economisch evenwicht in een economie op de lange termijn

c)

Micro-economisch evenwicht in een economie op de lange termijn

d)

Meso-economisch evenwicht in een economie op de lange termijn

23.

Wat is de natuurlijke productieomvang?

a)

De productiehoeveelheid waarbij precies voldaan wordt aan de totale vraag in een land

b)

De productiehoeveelheid waarbij alle productiefactoren binnen een economie optimaal gebruikt worden

c)

De productieomvang waarbij de productiecapaciteit precies voldoet aan de totale vraag in een land

d)

De productieomvang waarbij precies voldaan wordt aan de totale vraag in een land

24.

Hoe luidt de verkeersvergelijking van Fisher?

a)

M x P = V x T

b)

M x T = P x V

c)

V x M = P x T

d)

T x V = P x M

25.

Wat legt de verkeersvergelijking van Fisher uit?

a)

Dat als de maatschappelijke geldhoeveelheid stijgt, dat het prijspeil en/of het aantal transacties ook stijgt.

b)

Dat als de maatschappelijke geldhoeveelheid stijgt, dat de omloopsnelheid van geld ook stijgt

c)

Dat als de maatschappelijke geldhoeveelheid stijgt, dat het prijspeil en/of het aantal transacties daalt

d)

Dat als de maatschappelijke geldhoeveelheid stijgt, dat de omloopsnelheid van geld proportioneel daalt