wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Ondernemingsvormen 3

Total questions: 19

Worksheet time: 11mins

Name
Class
Date
1.

Bij een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming gewaarborgd.

d)

is het moeilijk om snel in te spelen op veranderingen in de markt.

2.

Over de winst van een eenmanszaak moet ..... betaald worden

a)

dividendbelasting

b)

Inkomstenbelasting

c)

Vennootschapsbelasting

3.

Over de winst van de bv moet .... betaald worden

a)

Inkomstenbelasting

b)

Vennootschapsbelasting

c)

Inkomstenbelasting en dividendbelasting

4.

Lees de volgende beweringen en geef het juiste antwoord.

Bewering 1: Bij de bv en nv zijn aandeelhouders hoofdelijk aansprakelijk voor alle schulden van de vennootschap.

Bewering 2: Bij de naamloze vennootschap zijn de aandeelhouders in principe niet bekend bij de vennootschap.

a)

Bewering 1 is waar, bewering 2 is niet waar.

b)

Bewering 1 is niet waar, bewering 2 is waar.

c)

Bewering 1 en 2 zijn allebei waar.

d)

Bewering 1 en 2 zijn allebei niet waar.

5.

Bij een onderneming met rechtspersoonlijkheid

a)

is er geen scheiding tussen eigendom en leiding.

b)

moet er bij de oprichting een notariële akte worden opgemaakt.

c)

is de continuïteit van de onderneming slecht gewaarborgd.

d)

zijn er altijd aandelen uitgegeven.

6.

Het document waarin de vennoten de onderlinge afspraken vastleggen noem je een:

a)

contract

b)

oprichtingsakte

c)

oprichtingsbalans

d)

vennotendocument

7.

Een aandeel is:

a)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een rechtspersoon is.

b)

een eigendomsbewijs in een onderneming die een natuurlijk persoon is.

c)

een eigendomsbewijs in een onderneming die zowel natuurlijk als rechtspersoon is.

d)

geen van bovenstaand.

8.

Een voorziening is:

a)

een bedrag dat gereserveerd wordt voor onvoorziene uitgaven.

b)

een bedrag dat gereserveerd wordt voor voorziene uitgaven.

c)

een bedrag dat gereserveerd wordt voor voorziene en onvoorziene uitgaven waarvan de kosten onbekend zijn.

d)

een bedrag dat gereserveerd wordt voor voorziene en onvoorziene uitgaven waarvan de kosten zowel bekend als onbekend zijn.

9.

Wat leg je vast als je een ondernemingsvorm kiest?

a)

De wijze waarop je aan vermogen komt.

b)

Wie er verantwoordelijk is voor de schulden.

c)

Wie er eigenaar is van de onderneming.

d)

Alle bovenstaande antwoorden zijn juist.

e)

Alle bovenstaande antwoorden zijn onjuist.

10.

Twee ondernemingsvormen waarvan je mede-eigenaar kunt worden zijn een:

a)

bv en een nv.

b)

bv en een coöperatie.

c)

cv en een vof.

d)

nv en een eenmanszaak.

11.

Bij welke rechtsvormen is de continuïteit het best gewaarborgd?

a)

Eenmanszaak

b)

Vof

c)

BV

12.

Welk onderscheid wordt gemaakt bij de indeling van de diverse rechtsvormen van ondernemingen? Kies je juiste combinatie.

a)

Persoonlijk, rechtspersoonlijkheid

b)

Rechtspersoonlijkheid, onpersoonlijk

c)

Persoonlijk, onpersoonlijk

13.

Voor welke combinatie van rechtsvormen is altijd een notariële akte bij de oprichting vereist?

a)

Cv, Bv, Maatschap

b)

Bv, Nv, Coöperatie

c)

Coöperatie, Eenmanszaak, Vof

d)

Vof, Maatschap, Cv

14.

Welke bewering over een annuïteit is goed?

a)

Een annuïteit is een periodiek gelijkblijvend bedrag dat bestaat uit aflossing en interest.

b)

Een annuïteit is een periodiek gelijkblijvend bedrag dat bestaat uit aflossing en kapitaal.

c)

Een annuïteit is een periodiek gelijkblijvend bedrag dat bestaat uit kapitaal en interest.

d)

Een annuïteit is een periodiek wisselend bedrag dat bestaat uit aflossing en interest.

15.

Welke formule over de omzetsnelheid van de voorraad is goed?

a)

Inkoopprijs van de omzet / Waarde van de voorraad goederen

b)

Gemiddelde waarde van de voorraad goederen / Inkoopprijs van de omzet * 365 dagen

c)

Inkoopprijs van de omzet / Gemiddelde waarde van de voorraad goederen

d)

Gemiddeld debiteurensaldo / Verkopen op rekening * 365 dagen

16.

Welke formule over de gemiddelde krediettermijn van crediteuren is goed?

a)

Inkopen op rekening / Gemiddeld crediteurensaldo * 365 dagen

b)

Gemiddeld crediteurensaldo / Inkopen op rekening * 365 dagen

c)

Gemiddeld debiteurensaldo / Verkopen op rekening * 365 dagen

d)

Gemiddeld crediteurensaldo / Verkopen op rekening * 365 dagen

17.

Welke formule over de omloopsnelheid van het gemiddeld totaal vermogen is goed?

a)

Omzet / totaal vermogen

b)

Omzet / gemiddeld eigen vermogen

c)

Gemiddeld totaal vermogen / Omzet

d)

Omzet / gemiddeld totaal vermogen

18.
a)

1 = 1260 2 = 1104

b)

1 = 1260 2 = 1164

c)

1 = 1305 2 = 1104

d)

1 = 1305 2 = 1164

19.
a)

1 = 70 2 = 123

b)

1 = 70 2 = 141

c)

1 = 90 2 = 123

d)

1 = 90 2 = 141