Wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Test Jezelf theorie leesvaardigheid

Total questions: 18

Worksheet time: 9mins

Name
Class
Date
1.

Voor het vaststellen van de hoofdgedachte is het goed de tekst nog eens oriënterend te lezen.

a)

Juist

b)

Onjuist

2.

Open vragen beantwoord je altijd in volledige zinnen.

a)

Juist

b)

Onjuist

3.

In de beantwoording van open vragen maak je altijd gebruik van kernwoorden uit de tekst.

a)

Juist

b)

Onjuist

4.

Op het examen komen dezelfde vraagtypen in verschillende varianten terug.

a)

Juist

b)

Onjuist

5.

Een examentekst is óf uiteenzettend, óf beschouwend, óf betogend.

a)

Juist

b)

Onjuist

6.

Een ironische woordkeus zegt iets over de houding van de auteur ten aanzien van zijn onderwerp.

a)

Juist

b)

Onjuist

7.

Functiewoorden als aanleiding, constatering, hypothese, relativering en vraagstelling zijn allemaal vaak toepasbaar op de inleiding van de tekst.

a)

Juist

b)

Onjuist

8.

Je kunt er het beste een gewoonte van maken om woorden die je niet kent, op het examen op te zoeken in het woordenboek.

a)

Juist

b)

Onjuist

9.

Kritisch lezen pas je onder meer toe bij vragen naar drogredenen en de aanvaardbaarheid van de argumentatie.

a)

Juist

b)

Onjuist

10.

Stijlfiguren als retorische vragen, ironie en overdrijvingen kom je in alle tekstsoorten tegen.

a)

Juist

b)

Onjuist

11.

Bij welk(e) vraagtype(n) kun je het best belangrijke woorden uit de tekst overnemen?

a)

uitleggen

b)

samenvatten

c)

hoofdvraag formuleren

d)

functies van tekstgedeelten bepalen

e)

argumentatie in schema plaatsen

12.

Waarom is het verstandig de tekst eerste oriënterend te lezen? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Dan weet je wat het onderwerp is.

b)

Dan weet je hoe je de tekst is ingedeeld.

c)

Dan heb je een globaal idee van het schrijfdoel.

d)

Dan heb je een globaal idee van de hoofdgedachte.

13.

Examenvraag: Wat is de gewenste situatie met betrekking tot talenonderwijs in het hoger onderwijs?

Welke van de volgende voorbeeldantwoorden voldoet niet aan de vraagstelling?

a)

Het talenonderwijs moet zich niet alleen op het Engels richten, maar ook op de moedertaal.

b)

Er moet een bredere talenkennis komen.

c)

Dat middelbare scholen meer financiële ruimte krijgen om het talenonderwijs beter vorm te geven.

d)

Het zou goed zijn als leerlingen meer vreemde talen zouden kunnen leren.

14.

Ook als je een open vraag niet (helemaal) begrijpt, kun je toch het best een antwoord proberen te formuleren. Waarom? (meerdere antwoorden mogelijk)

a)

Een open vraag levert vaak meer punten op.

b)

Dan ziet de corrector dat je moeite hebt gedaan.

c)

Je kunt vaak een deelscore verdienen bij open vragen.

d)

Open vragen zijn altijd makkelijker.

15.

"Op deze ... van profiteren."

Wat ontbreekt er aan dit citaatantwoord?

a)

De rest van de woorden uit de zin.

b)

De regelnummers.

c)

De alinea-aanduiding

16.

Op welke aspecten van de tekst let je als je de intentie of houding van de auteur moet bepalen?

a)

de woordkeus van de auteur

b)

de schrijfstijl van de auteur

c)

de lengte van de tekst

d)

de tussenkopjes

17.

Bij welk vraagtypen worden steeds overkoepelende vragen gesteld?

a)

functies van tekstgedeelten bepalen

b)

de houding van de auteur bepalen

c)

samenvattingsvragen

d)

twee of meerdere teksten vergelijken

18.

Examenvraag: Welke impliciete vraag beantwoordt de schrijver in de tekst 'Sleutelen aan voedsel?'

Geef twee tips voor de juiste aanpak.

a)

Formuleer het antwoord met behulp van kernwoorden uit de tekst.

b)

Citeer een vraag uit de tekst als antwoord.

c)

Geef niet meer dan één zin in vraagvorm.

d)

Vat de tekst eerst samen.