NEW
Font size
Worksheetswoordsoorten
Total questions: 20
Worksheet time: 10mins
In de krant staat een mooi artikel over struisvogels.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
De kwade hond kwam blaffend de tuin in gerend.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Onze rode auto is gisteren gerepareerd.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
In de zomervakantie heb ik een heel goed boek gelezen.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Mijn wollen trui is kapot gegaan in de wasmachine.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Tijdens een wandeling op het strand ben ik mijn zilveren ring verloren.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Nederlanders kiezen vaker voor een laptop die klein is.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Het vliegtuig is een uur later geland dan gepland was.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Op een school in Australië mogen leerlingen alleen fietsend naar school komen.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Volgende week viert Elise haar verjaardag in de stad.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Vorige week werd er hevig geprotesteerd in Den Haag.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Tijdens het feest werd er goede muziek gedraaid.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Een wandelend echtpaar voerde in het park de eendjes.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Elke dag werken er in Nederland een heleboel vrijwilligers.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Op de foto staat een lachende vrouw.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Tijdens de les mogen wij onze telefoon niet gebruiken.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
De tuinman loopt hijgend achter de zware kruiwagen.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Janne rent huilend naar haar moeder.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
Het paard galoppeert vrolijk hinnikend door de wei.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
De aangebrande hamburger was helemaal niet lekker.
lidwoord
zelfstandig naamwoord
werkwoord
bijvoeglijk naamwoord
