wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2 BB NASK H 2 Stoffen en materialen

Total questions: 14

Worksheet time: 7mins

Name
Class
Date
1.

Hoe noem je een stof waarvan je voorwerpen kunt maken?

a)

Metaal

b)

Niet - metaal

c)

Materiaal

2.

Wat betekent recyclen?

a)

Hergebruiken

b)

minder grondstoffen gebruiken

c)

smelten van glas

d)

twee keer bakken

3.

Om je heen zie je verschillende stoffen.

Waaraan kun je een stof herkennen?

a)

aan zijn eigenschappen

b)

aan zijn kleur

c)

aan zijn massa

d)

aan zijn vorm

4.

Paulien krijgt in de les een aantal blokjes. Alle blokjes zijn van verschillend materiaal gemaakt. Paulien wil weten van welk materiaal elk blokje gemaakt is.

Wat moet ze doen om dat te ontdekken?

a)

aan de blokjes voelen

b)

de blokjes wegen

c)

de stof-eigenschappen onderzoeken

d)

het kookpunt en smeltpunt onderzoeken

5.

Op een fles schoonmaak-middel zit een kind-veilige dop. Wat zegt dat over het schoonmaak-middel?

a)

Het is alleen gevaarlijk voor kinderen.

b)

Het is een gevaarlijke stof.

c)

Je mag het niet gebruiken als er kinderen in de buurt zijn.

d)

Je moet handschoenen dragen als je ermee werkt.

6.

Verschillende metalen hebben verschillende eigenschappen.

Welke eigenschap hebben alle metalen?

a)

Alle metalen hebben een roestlaag.

b)

Alle metalen kunnen oxideren

c)

Alle metalen zijn goede warmte-geleiders.

d)

Alle metalen zijn magnetisch.

7.

Glas wordt gebruikt om voorwerpen van te maken. Maar glas heeft ook nadelen.

Welke zijn de belangrijkste nadelen van glas?

a)

Glas is breekbaar en doorzichtig.

b)

Glas is breekbaar en heeft scherpe randen.

c)

Glas is doorzichtig en hard.

d)

Glas is hard en heeft scherpe randen.

8.

Waarom worden stalen hoogspannings-masten verzinkt?

a)

om ze beter zichtbaar te maken

b)

om ze sterker te maken

c)

om ze stroom te laten geleiden

d)

om ze te beschermen tegen roesten

9.

Keramiek is vaak met glazuur bedekt.

Wat is glazuur?

a)

een beschildering om keramiek mooier te maken

b)

een glaslaag die keramiek beschermt en waterdicht maakt

c)

een soort zuur dat keramiek beschermt en sterk maakt

10.

Wat betekent dit gevaren-symbool?

a)

bijtend

b)

giftig

c)

schadelijk

d)

slecht voor het milieu

11.

Welke twee stoffen kunnen metalen aantasten?

a)

Koolstofdioxide en roest

b)

Roets en vocht

c)

Zuurstof en koolstofdioxide

d)

Vocht en zuurstof

12.

Op tafel ligt een witte vaste stof die goed oplosbaar is in water. Om welke stof gaat het?

a)

Zout

b)

Suiker

c)

Dit kun je niet met zekerheid zeggen.

13.

Water heeft een dichtheid van 1,0 g/cm3.

Welke stof blijft drijven op het water?

a)

Alcohol (0,8 g/cm3)

b)

Aluminium (2,7 g/cm3)

c)

Glas (2,6 g/cm3)

d)

Kwik (13,5 g/cm3)

14.

Welke twee metalen zijn magnetisch?

a)

IJzer en Nikkel

b)

Nikkel en Aluminium

c)

Aluminium en Koper

d)

Koper en IJzer