wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Bijwoord

Total questions: 15

Worksheet time: 6mins

Name
Class
Date
1.

Wat is het bijwoord?

De jongen rende hard.

a)

jongen

b)

rende

c)

hard

d)

de

2.

Benoem het bijwoord.

De auto rammelt erg.

a)

auto

b)

rammelt

c)

erg

d)

de

3.

Benoem het bijwoord.

Dat is een bijzonder mooie fiets.

a)

bijzonder

b)

mooie

c)

fiets

d)

Dat

4.

Benoem het bijwoord.

Ik vind dat een heel rare uitleg.

a)

vind

b)

heel

c)

rare

d)

uitleg

5.

Benoem het bijwoord.

Hij koopt snel een nieuwe pen.

a)

koopt

b)

snel

c)

nieuwe

d)

pen

6.

Benoem het bijwoord.

Hij typt de zinnen verkeerd.

a)

typt

b)

zinnen

c)

verkeerd

d)

Hij

7.

Benoem het bijwoord.

Zij bouwde een ontzettend groot gebouw.

a)

bouwde

b)

ontzettend

c)

groot

d)

gebouw

8.

Benoem het bijwoord.

Dat was een enorm slechte grap.

a)

enorm

b)

slechte

c)

grap

d)

was

9.

Benoem het bijwoord.

Het eten smaakt vies.

a)

eten

b)

smaakt

c)

vies

d)

het

10.

Benoem het bijwoord.

We zagen het verschrikkelijk mooie vuurwerk.

a)

zagen

b)

verschrikkelijk

c)

mooie

d)

vuurwerk

11.

Benoem het bijwoord.

Dit is een zeer moeilijke som.

a)

Dit

b)

is

c)

moeilijke

d)

zeer

e)

som

12.

Benoem het bijwoord.

Natuurlijk mogen ze het boek lenen.

a)

Natuurlijk

b)

mogen

c)

boek

d)

lenen

13.

Benoem het bijwoord.

Na de les mochten ze eindelijk hun telefoon gebruiken.

a)

Na

b)

eindelijk

c)

hun

d)

gebruiken

14.

Benoem de bijwoorden.

Ze had nog nooit op een motor gezeten.

a)

Ze, nog

b)

nog, nooit

c)

nooit, op

d)

motor, gezeten

15.

Benoem de bijwoorden.

Achteraf weet ze dat ze beter had moeten oefenen.

a)

Achteraf, had

b)

ze, ze

c)

beter, oefenen

d)

Achteraf, beter