wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

Herhaling leerstof 2e trimester Nederlands 1

Total questions: 85

Worksheet time: 1hrs 2mins

Name
Class
Date
1.

Het paard luistert goed naar ......... baas.

a)

zijn

b)

zij

2.

Het cadeau is voor ............

a)

jou

b)

jouw

3.

Het lijkt ........ een goed idee.

a)

mijn

b)

mij

4.

Het is ........ idee.

a)

mijn

b)

mij

5.

..... kan mijn schoenen nergens vinden.

a)

ik

b)

mijn

6.

Het is ...........rommel.

a)

jou

b)

jouw

7.

Wat vindt ....... er van?

a)

haar

b)

zij

8.

Mag op op ......... stoel gaan zitten?

a)

haar

b)

zij

9.

De mooie bos bloemen is van .......

a)

mij

b)

mijn.

10.

Het is ......... bos bloemen.

a)

mij

b)

mijn

11.

Mag ik .... wat vragen?

a)

u

b)

uw

12.

Heb je een kaartje gekocht voor het concert?

"je" is een...

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

13.

Je vader wil Henk niet naar het feest brengen.

"je" is een...

a)

Persoonlijk voornaamwoord

b)

Bezittelijk voornaamwoord

14.

Mag ik jouw geodriehoek even lenen?

"jouw" is een...

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

15.

Mocht je bij hem achter op de fiets zitten? 'hem' is een ...

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

16.

Heb jij je oma al bedankt voor dat mooie cadeau? 'je' is een...

a)

zelfstandig naamwoord

b)

persoonlijk voornaamwoord

c)

bezittelijk voornaamwoord

17.

De spreekbeurt van Ahmet was erg interessant! 'Ahmet' is een...

a)

bezittelijk voornaamwoord

b)

zelfstandig naamwoord

c)

Persoonlijk voornaamwoord

18.

Uw praatjes bevallen mij niet. 'Uw' is een...

a)

persoonlijk voornaamwoord

b)

bezittelijk voornaamwoord

c)

zelfstandig naamwoord

19.

Wijs het bezittelijk voornaamwoord aan in de zin:

"Waarom heeft hij jouw huiswerk gemaakt?"

a)

hij

b)

jouw

c)

waarom

d)

huiswerk

20.

Wijs het bezittelijk voornaamwoord aan in de volgende zin:

"Volgens mij heb jij je toetsen aardig goed geleerd"

a)

mij

b)

jij

c)

je

d)

aardig

21.
Als het oudejaarsavond is, steken wij vuurwerk af.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
22.
In 2017 wordt in heel Nederland het afsteken van vuurwerk verboden, ondanks de vele fans van vuurwerk.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
23.
Mijn broertjes vinden die knallen fantastisch, maar mijn moeder heeft er een grote hekel aan.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
24.
Ook onze hond rent tijdens die geweldige feestnacht helemaal panisch rond door het oorverdovend lawaai, de lichtflitsen en de rook.
Enkelvoudige of samengestelde zin?
a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
25.
De parkietjes kijken echter met grote interesse naar buiten, want dan gebeurt er eindelijk eens wat.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
26.
Mijn superkeurige, brave buurman, die niet tegen rommel kan, gaat doorgaans op 1 januari al om 9 uur 's ochtends flink aan de slag met de bladblazer.
Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
27.

Vergeet niet dat er in elke gemeente ook nog vuurwerkshows georganiseerd kunnen worden.


Enkelvoudige of samengestelde zin?

a)
enkelvoudig
b)
samengesteld
28.
De computer is handig, ...............soms werkt niks goed.
a)
maar
b)
omdat
c)
en
d)
of
29.
Miriam voelt zich niet lekker ..............blijft liever thuis.
a)
maar
b)
omdat
c)
of
d)
en
30.
Jij kunt niet meedoen, ............. je moet op tijd naar huis.
a)
want
b)
omdat
c)
maar
d)
of
31.
Meneer is boos, ............de kinderen praten te hard.
a)
maar
b)
want
c)
en
d)
hoewel
32.
Ik kijk niet, .............ik het eng vind.
a)
omdat
b)
maar
c)
want
d)
en
33.
Peter gaat naar huis, ............hij moet om 11 uur thuis zijn.
a)
omdat
b)
want
c)
of
d)
maar
34.
Ik pak mijn tas ...........mijn jas.
a)
of
b)
maar
c)
omdat
d)
en
35.
Wil je een koekje ..........een ijsje?
a)
of
b)
omdat
c)
maar
d)
dus
36.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
In de werkplaats las... de mannen de buizen aan elkaar.
(INF: lassen)
a)
te
b)
sen
c)
ten
d)
tten
37.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
De buurman bemes... vroeger de tuin met kunstmestkorrels.
(INF: bemesten)
a)
t
b)
ten
c)
te
d)
tte
38.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
Doordat twee ramen tegenover elkaar openstonden, toch... het in het lokaal. 
(INF: tochten)
a)
t
b)
te
c)
ten
d)
tte
39.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
Omdat ze belo... op tijd thuis te zijn, mochten de meisjes naar het schoolfeest. 
(INF: beloven)
a)
ovden
b)
ofden
c)
ofde
d)
ofdden
40.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
Was het maar zo, dat jij je altijd zo uitslo... 
(INF: uitsloven)
a)
ofde
b)
ovde
c)
ofte
d)
ovte
41.
Vervoeg het werkwoord in de OVT:
Zeker een half uur wacht... we bij de bushalte tot onze bus eraan kwam.
(INF: wachten)
a)
e
b)
te
c)
en
d)
ten
42.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Komen)
Gelukkig ... we juist op tijd.
a)
kwamen
b)
komden
c)
kwamden
d)
kamen
43.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Haasten)
Toen moeder riep, ... we ons naar huis.
a)
haasten
b)
haastten
c)
hiesten
d)
heesten
44.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Durven)
Het ongehoorzame kind ... niet binnen komen.
a)
durvde
b)
dierf
c)
durfden
d)
durfde
45.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Beantwoorden)
Het meisje ... die vraag ontzetten snel.
a)
beantwoorden
b)
beantwoordden
c)
beantwoordde
d)
beantwoorde
46.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Scheppen)
Moedig ... de matrozen het water overboord.
a)
schiepen
b)
schepten
c)
scheptten
d)
schepen
47.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Drijven)
De wrakstukken ... naar de kust.
a)
dreven
b)
droven
c)
drijvden
d)
drijfden
48.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Dobberen)
Het schip ... op de golven.
a)
dabberde
b)
dobberte
c)
dobberde
d)
dobberden
49.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Zijn)
... jij ook daar?
a)
Zijn
b)
Was
c)
Ben
d)
Zijt
50.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Antwoorden)
Ook slimme leerlingen ... soms verkeerd.
a)
antwoorde
b)
antwoordde
c)
antwoorden
d)
antwoordden
51.
De politie ....(ontmaskeren) vorige week de dief.
a)
ontmaskerden
b)
ontmaskerte
c)
ontmaskerde
d)
ontmaskerdde
52.
Klas L2GTa ... (zwemmen) in een mooi zwembad.
a)
zwommen
b)
zwom
c)
zwemde
d)
zwemte
53.
Glenn en Daryl ... (reizen) naar een andere stad
a)
reisden
b)
reisten
c)
rezen
d)
reizden
54.
Mijn moeder ... (kaften) vorig jaar al mijn boeken voor mij.
a)
kafte
b)
kaftte
c)
kafde
d)
kaftde
55.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Komen)
Gelukkig ... we juist op tijd.
a)
kwamen
b)
komden
c)
kwamden
d)
kamen
56.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Haasten)
Toen moeder riep, ... we ons naar huis.
a)
haasten
b)
haastten
c)
hiesten
d)
heesten
57.
Vul het werkwoord aan in de verleden tijd:
(Durven)
Het ongehoorzame kind ... niet binnen komen.
a)
durvde
b)
dierf
c)
durfden
d)
durfde
58.

Duid de foute zin aan.

a)

Hij antwoordde mij onmiddellijk.

b)

Het knappe meisje leidde me naar het station.

c)

Waarom zei ze niets?

d)

Ze vraagde naar mijn naam.

59.

Duid de foute zin aan.

a)

Hij antwoorde mij onmiddellijk.

b)

Het knappe meisje leidde me naar het station.

c)

Waarom zei ze niets?

d)

Ze vroeg naar mijn naam.

60.

Duid de foute zin aan.

a)

Hij antwoordde mij onmiddellijk.

b)

Het knappe meisje leide me naar het station.

c)

Waarom zei ze niets?

d)

Ze vroeg naar mijn naam.

61.
Wat is het naamwoordelijk deel?
Superfoods schijnen gezond voor je te zijn.
a)
gezond
b)
gezond te zijn
c)
gezond voor je te zijn
d)
schijnen gezond voor je te zijn
62.
Is blijken een kww?
a)
Ja
b)
Nee
63.
Is hebben een kww?
a)
Ja
b)
Nee
64.

Wat is de persoonsvorm: Ik loop naar school.

a)

Ik

b)

loop

c)

naar school

65.

Wat is de persoonsvorm: Wij fietsen op straat.

a)

Wij

b)

fietsen

c)

op straat

66.

Wat is de persoonsvorm: Gisteren was het mooi weer

a)

gisteren

b)

was

c)

het

d)

mooi weer

67.

Wat is het gezegde: Wij zijn naar school gegaan.

a)

wij

b)

zijn gegaan

c)

naar school

68.

Wat is het gezegde: Wat ga jij vandaag doen?

a)

Wat

b)

ga doen

c)

jij

d)

vandaag

69.

Wat is het gezegde: Wij zitten hier te wachten.

a)

Wij

b)

zitten

c)

hier

d)

zitten te wachten

70.

Wat is het gezegde: Wij doen deze les goed mee!

a)

Wij

b)

doen mee

c)

deze les

d)

goed

71.

Wat is het gezegde: Ik doe vandaag geen jas aan.

a)

Ik

b)

doe

c)

geen jas

d)

doe aan

72.
In de zin; Hij blijkt een geheimzinnige man te zijn, zit een naamwoordelijk gezegde
a)
Waar
b)
Niet waar
73.

Naamwoordelijk deel van de volgende zin:

melk drinken is altijd gezond

a)
is gezond
b)
gezond
c)
altijd
d)
is altijd gezond
74.
Welk koppelwerkwoord mist er in het rijtje? Zijn, voorkomen, dunken, heten, blijven, blijken, schijnen, worden
a)
lijken
b)
hebben
c)
zullen
d)
gaan
75.

Januari bracht dit jaar veel regen.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

76.

Het spatbord was snel gerepareerd.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

77.

Hoelang is hij al populair?

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

78.

Uiteindelijk is ook hij volwassen geworden.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

79.

We hebben een jaar voor dit reisje gespaard.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

80.

Ajax leed een grote nederlaag.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

81.

Hij las het verslag aan het begin van de vergadering voor.

a)

werkwoordelijk gezegde

b)

naamwoordelijk gezegde

82.

Evy is goed in voetballen, maar Eden Hazard is ...

a)

beter

b)

best

c)

goed

83.

Evy is jong. Nicolae is nog jonger, maar Hayfa is het ...

a)

jonger

b)

jongst

c)

jong

84.

De jongen is ...., maar de baby is nog kleiner.

a)

klein

b)

kleinst

c)

kleiner

85.

Dat meisje is timide, haar zus is timider, maar haar broer is ...

a)

het timidest

b)

het meest timide

Similar Resources on Wayground