wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

hoofdstuk 8 licht

Total questions: 44

Worksheet time: 21mins

Name
Class
Date
1.

Welk antwoord is een natuurlijke lichtbron?

a)

de maan

b)

de zon

c)

een lamp

2.

Als een schaduw niet scherp is komt dat door

a)

de lichtstralen

b)

de randstralen

3.

Wat is een lichtbundel?

a)

Een verzameling lichtstralen van 1 lichtbron

b)

Een plaats waar licht ontstaat

4.

Kun je met een convergerende lichtbundel een gat in papier branden?

a)

ja

b)

nee

5.

Wat zijn zichtlijnen?

a)

lijnen die een lichtbron trekt

b)

lijnen die je gebruikt om de grenzen van je gezichtsveld aan te geven

c)

lichtstralen die vlak langs een voorwerp lopen

d)

de rechte lijnen die laten zien hoe licht vanaf de lichtbron naar de omgeving gaat

6.

Wat zijn primaire kleuren?

a)

De basiskleuren waarmee je alle kleuren maakt

b)

De kleuren van de regenboog

c)

Kleuren die je niet kunt zien, zoals infrarood en ultraviolet licht

7.
Hoe noemen we de kleuren van de regenboog samen?
a)
Prisma
b)
Spectrum
c)
Regenboog
d)
Zichtbaar licht
8.
Als ik met zuiver blauw licht schijn op een wit t-shirt, welke kleur zien we dan?
a)
Wit
b)
Zwart
c)
Blauw
9.
Bij een prisma wordt de lichtstraat altijd...
a)
Naar de tophoek (α) toe gebogen
b)
Van de tophoek (α) af gebogen
10.

Een bolle lens breekt de lichtstralen .....

a)

naar elkaar toe

b)

van elkaar af

11.

In welke voorwerpen zit een lens?

a)

camera

b)

bril

c)

prisma

d)

verrekijker

12.

Vanuit een lichtpunt gaan lichtstralen door een bolle lens. Het punt waar de lichtstralen weer samenkomen, heet het beeldpunt.

a)

waar

b)

niet waar

13.

Wanneer is een beeld onscherp?

a)

als het beeld voor het scherm valt

b)

als het beeld op het scherm valt

c)

als het beeld achter het scherm valt

14.

Wat doe je bij scherpstellen?

a)

je veranderd de afstand tussen het voorwerp en het scherm

b)

je veranderd de afstand tussen het voorwerp en de lens

c)

je veranderd de afstand tussen de lens en het scherm

15.

Evenwijdige lichtstralen gaan door een bolle lens. De lichtstralen komen samen in het brandpunt.

a)

waar

b)

niet waar

16.

Hoe heet de lijn precies door het midden van een lens?

a)

de beeldlijn

b)

de brandlijn

c)

de hoofdas

d)

de randstraal

17.

Het brandpunt van een lens is aan de voorkant anders dan aan de achterkant.

a)

waar

b)

niet waar

18.

Wat is de brandpunts-afstand?

a)

de afstand tussen de lens en het brandpunt

b)

de afstand tussen het beeld en het brandpunt

c)

de afstand tussen het brandpunt en de hoofdas

d)

de afstand tussen het brandpunt en de lichtbron

19.

De afstand tussen het voorwerp en de lens is de voorwerps-afstand.

a)

waar

b)

niet waar

20.

Een lichtstraal valt in je oog. Door welk deel van je oog gaat de lichtstraal eerst?

a)

iris

b)

netvlies

c)

pupil

d)

hoornvlies

21.

Kijk naar de afbeelding. Welk deel van het oog zie je bij nummer 4?

a)

ooglens

b)

glasachtig lichaam

c)

hoornvlies

d)

netvlies

22.

Je komt in het 's avonds laat thuis. Je stapt van een donkere straat een fel verlichte kamer binnen. Wat gebeurt er met je pupillen?

a)

ze worden groter

b)

ze worden kleiner

c)

ze blijven even groot

23.

Accomoderen betekent dat je ooglenzen van vorm veranderen.

a)

waar

b)

niet waar

24.

Als je een tekst moet lezen, is je ooglens heel bol.

a)

waar

b)

niet waar

25.

Je kijkt naar een vogel die heel hoog in de lucht vliegt. Je ooglens is nu heel bol.

a)

waar

b)

niet waar

26.

Een afstands-bediening werkt met ultra-violet licht.

a)

waar

b)

niet waar

27.

Wanneer kun je infra-rood-straling zien?

a)

alleen overdag

b)

alleen 's nachts

c)

altijd

d)

nooit

28.

Door uv-straling kleurt je huid bruin.

a)

waar

b)

niet waar

29.

Waarvoor wordt ultra-violet-straling gebruikt?

a)

voor afstandsbedieningen

b)

voor zuinige lampen

c)

om 's nachts foto's te maken

d)

om te controleren of bankbiljetten echt zijn

30.

Alle stoffen laten röntgen-straling door.

a)

waar

b)

niet waar

31.

Waarvoor wordt röntgen-straling gebruikt?

a)

voor afstandsbedieningen

b)

om foto's van botten in een lichaam te maken

c)

om 's nachts foto's te maken

d)

om te controleren of bankbiljetten echt zijn

32.

Röntgen-straling wordt tegengehouden door lood.

a)

waar

b)

niet waar

33.

Welke van deze lichtbronnen zijn natuurlijke lichtbronnen?

a)

de zon

b)

een kaars

c)

de bliksem

d)

een ster

34.

Een kunstmatige lichtbron is door mensen gemaakt.

a)

waar

b)

niet waar

35.

Welke van deze lichtbronnen zijn kunstmatige lichtbronnen?

a)

een kaars

b)

een zaklamp

c)

een zon

d)

een ster

36.

Een natuurlijke lichtbron is door mensen gemaakt.

a)

waar

b)

niet waar

37.

Je kunt alleen dingen zien die zelf licht geven.

a)

waar

b)

niet waar

38.

Lichtstralen gaan

......

in een rechte lijn.

a)

altijd

b)

soms

c)

nooit

39.

Als overdag de zon schijnt, kun je je omgeving goed zien. Waarom kun je overdag de omgeving goed zien?

a)

omdat overdag alle voorwerpen zelf licht geven

b)

alle voorwerpen weerkaatsen het zonlicht

c)

omdat de warmte van de zon je ogen bereikt

d)

de zon geeft overdag ook warmte

40.

Op tafel staat een brandende kaars.

De kaars straalt licht uit in .....

a)

alle richtingen

b)

sommige richting

c)

één richting

41.

Wat is een lichtbundel?

a)

een groep lichtstralen die alle kanten op gaan

b)

een groep lichtstralen die één kant op gaan

c)

een groep lichtstralen die weerkaatst worden door een voorwerp

d)

een groep lichtstralen die niet in een rechte lijn gaan

42.

Wit licht bestaat uit alle kleuren van het spectrum.

a)

waar

b)

niet waar

43.

Wat zie je als wit licht door een prisma gaat?

a)

een bredere bundel wit licht

b)

een bundel rood licht en een bundel blauw licht

c)

licht in alle kleuren van de regenboog

d)

niets, het prisma houdt de lichtstralen tegen

44.

Wit licht bestaat uit twee kleuren licht: rood en blauw.

a)

waar

b)

niet waar