wayground logo

Free Printable Worksheets

NEW

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

einde trimester

Total questions: 35

Worksheet time: 19mins

Name
Class
Date
1.
Hoe vind je de persoonsvorm van een zin?
a)
Het is het eerste woord van een zin.
b)
Door te vragen waar het over gaat.
c)
Door de zin vragend te maken. Het is dan meestal het woord dat vooraan staat.
d)
Door te vragen wie + het onderwerp
2.
Wat is de p.v. van deze zin?Morgenvroeg vertrekken wij naar Marokko met de hele familie en nemen heel veel cadeaus mee.
a)
Marokko
b)
vertrekken
c)
nemen
d)
wij
3.
Wat is het onderwerp van de volgende zin?Morgen komen de nieuwe buren in hun huis wonen.
a)
Morgen
b)
Wonen
c)
Nieuwe
d)
De nieuwe buren
4.
Wat voor een soort woord is de ' persoonsvorm'?
a)
een zelfstandig naamwoord
b)
een werkwoord
c)
een lidwoord
d)
een bijvoeglijk naamwoord
5.

Welk woord hoort niet in het rijtje thuis?

compleet - helemaal - divers - totaal

a)

Compleet

b)

Helemaal

c)

Totaal

d)

Divers

6.
CONTEXT betekent
a)
ontspanning
b)
omringende tekst
7.
Wat betekent accuraat?
a)
Helemaal ernaast
b)
Zeer nauwkeurig
c)
Bijna goed
d)
Zeer snel optrekken
8.

Wat betekent exact?

a)

bijvoorbeeld

b)

ook

c)

precies

9.

Wat betekent vervolgens?

a)

als laatste

b)

ook

c)

daarna

10.
Ik kan me heel goed inleven in de ander. Ik ben erg ....
a)
charismatisch
b)
empatisch
c)
sociaal
d)
maatschappelijk betrokken
11.
De vragen die je nu stelt, zijn niet zo van belang, ofwel niet zo .............. 
a)
aanverwant
b)
relevant
c)
riskant
d)
moeilijk
12.
De directeur telt dagelijks hoeveel kinderen er op school zijn. Hij is zeer ......................
a)
accuraat
b)
desperaat
c)
extravagant
d)
indrukwekkend
13.

Vul het goede voorzetsel in:

Bij gebrek ___________belangstelling werd de reis uitgesteld.

a)

voor

b)

bij

c)

naar

d)

aan

14.

Vul het goede voorzetsel in.

De schuldige werknemer werd ______ staande voet ontslagen.

a)

met

b)

op

c)

naast

d)

tussen

15.

Vul het goede voorzetsel in.

De klant liet zich ________ een kluitje in het riet wegsturen.

a)

bij

b)

aan

c)

met

d)

voor

16.

Vul het goede voorzetsel in.

We danken u _____ voorbaat voor uw belangstelling.

a)

bij

b)

tot

c)

met

d)

voor

17.

Vul het goede voorzetsel in.

De leerlingen keken verlangend uit ________ de vakantie.

a)

in

b)

met

c)

naar

d)

voor

18.
Waar vind je meestal de hoofdgedachte van een tekst?
a)
Inleiding + slot
b)
Tweede alinea
c)
Kern
d)
Titel
19.
Stel: een tekst heeft drie delen. Eén gaat over paardrennen, het tweede deel gaat over poker en het derde gaat over speelautomaten. Wat zal het onderwerp van deze tekst zijn?
a)
Maneges
b)
Sporten
c)
de Nederlandse overheid
d)
Gokken
20.
Wat is het doel van een sollicitatiebrief?
a)
Overtuigen
b)
Informeren
c)
Instructie geven
d)
Amuseren
21.
Welke manier van lezen zet je in als je een tekst wilt onthouden?
a)
Globaal lezen
b)
Intensief lezen
c)
Zoekend lezen
22.
Wat is het signaalwoord in deze zin?'Hoewel hij nooit te laat kwam, had hij een slechte naam'.
a)
Hoewel
b)
nooit
c)
had
d)
slechte
23.
Vaak begint het maken van YouTube filmpjes als hobby, maar het kan flink uit de hand lopen. Wat betekent uit de hand lopen?
a)
Veel groter worden dan je van tevoren had verwacht.
b)
Minder hard groeien dan je van tevoren had verwacht.
c)
Veel minder aandacht krijgen dan je van tevoren had verwacht.
d)
Precies zo worden als je van tevoren had verwacht.
24.
De Youtube-industrie wordt steeds omvangrijker. Wat betekent omvangrijker?
a)
Klein, beperkt
b)
Middelmatig
c)
Groot, uitgebreid
d)
Interessant
25.
Welke slotgroet is erg gebruikelijk in een zakelijk bericht voor externe contacten?
a)
Mvg
b)
Groetjes
c)
Met vriendelijke groeten
d)
Hoogachtend
26.
Duid de juiste schrijfwijze aan.
a)
Email
b)
E-mail
27.
Volgende de NBN-normen plaatsen we na de aanspreking een komma.
a)
Juist
b)
Fout
28.
In zakelijke e-mails kan je best de ... gebruiken.
a)
U-vorm
b)
Je-vorm
29.

Het rode kruis voerde actie aan de eiffeltoren.

a)

Het Rode kruis voerde actie aan de eiffeltoren.

b)

Het Rode Kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

c)

Het rode kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

d)

Het rode kruis voerde actie aan de Eiffeltoren.

30.

Hassan is een moslim, hij viert kerstmis niet.

a)

Hassan is een Moslim, hij viert kerstmis niet.

b)

Hassan is een moslim, hij viert kerstmis niet.

c)

Hassan is een moslim, hij viert Kerstmis niet.

d)

Hassan is een Moslim, hij viert Kerstmis niet.

31.
Jij barbecuedt
a)
Goed
b)
Fout
32.
Wie heeft dat vertel___?
a)
t
b)
d
c)
len
d)
lde
33.
Vul het werkwoord 'tekenen' in op de puntjes. (voltooid deelwoord)
Annemarie heeft een mooie draak ...
a)
getekend
b)
getekent
c)
tekende
d)
getekendt
34.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
... je deze quiz leuk?
a)
vind
b)
vint
c)
vindt
d)
vond
35.
Vul het werkwoord 'vinden' in op de puntjes. (t.t.)
Ik weet niet of iedereen de quiz leuk ...
a)
vint
b)
vind
c)
vindt
d)
vond