wayground logo

Free Printable Worksheets

Font size

S
M
L
XL
Worksheets

2HV H5 Hoe werkt de arbeidsmarkt?

Total questions: 66

Worksheet time: 2hrs 1mins

Name
Class
Date
1.
Wat is vergrijzing? 
a)
Het percentage 65-plussers in een samenleving groeit.
b)
Het percentage werklozen in een samenleving groeit. 
2.
Wat is de beroepsbevolking?
a)
De mensen in een land die kunnen werken (20-65 jaar)
b)
Het percentage mensen dat een baan heeft.
3.

Wanneer ben je werkloos? (er kunnen meerdere goed zijn)

a)

Als je tussen de 15 jaar en de pensioenleeftijd bent

b)

Als je geen baan hebt

c)

Als er onvoldoende banen voor iedereen zijn

d)

Als je actief op zoek bent naar werk

4.

Wat is het gevolg voor de werkloosheid als veel bedrijven mensen vragen?

a)

de werkloosheid zal afnemen

b)

de werkloosheid zal toenemen

c)

deze blijft gelijk

5.

Je bent 14 jaar en zit in K2 op het vmbo en je bezorgt folders. Opeens word je ontslagen. Word je dan ook meegeteld als werkloze?

a)

Ja want je bent ontslagen

b)

Nee want je bent niet actief op zoek naar werk

c)

Ja want je hebt geen baan meer

d)

Nee want je bent nog geen 15

6.

Hoeveel werklozen waren er in 2014?

a)

575.000

b)

600.000

c)

650.000

d)

700.000

7.

Als je arbeidsovereenkomst beëindigd wordt, hoe heet dat?

a)

opzegtermijn

b)

opslag

c)

ontslag

d)

opzegging

8.

Waar heb je meestal recht op als je ontslagen bent?

a)

vakantiegeld

b)

uitkering volgens de Werkloosheidswet

c)

uitkering volgens de Ontslagwet

d)

reiskostenvergoeding

9.

Welke overheidsinstelling kijkt of je recht hebt op een WW-uitkering als je ontslagen bent?

a)

CAO

b)

AIVD

c)

NVWA

d)

UWV

10.

In welk jaar daalde het aantal werklozen?

a)

2011

b)

2013

c)

2015

d)

2017

11.

Wij maken steeds meer gebruik van nieuwe technieken en nieuwe uitvindingen. Hoe noemen we deze ontwikkeling?

a)

modernisering

b)

technologische ontwikkeling

c)

robotisering

d)

mechanisatie

12.

Hoeveel procent van je verdiende loon krijg je voor je WW uitkering?

a)

100 %

b)

50 %

c)

70 %

d)

80 %

13.

CAO betekent

a)

Collectieve Algemene Ouderdomswet

b)

Centrale Arbeidsomstandigheden

c)

Collectieve Arbeidsovereenkomst

d)

Centrale Arbeidsovereenkomst

14.

Als je het hebt over het geheel van vraag naar arbeid en aanbod van arbeid, dan bedoel je daarmee…

a)

de arbeidsmarkt

b)

beroepsbevolking

c)

de vacatures

d)

de werkgelegenheid

15.

Als de koopkracht van de mensen daalt en er daardoor minder vraag naar producten is, ontstaat er ...

a)

Conjuncturele werkloosheid

b)

Frictiewerkloosheid

c)

Structurele werkloosheid

d)

Verborgen werkloosheid

16.

Als mensen ontslagen worden duurt het een tijdje voor ze een nieuwe baan hebben en ontstaat er ...

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

frictiewerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

17.

In een hoog conjunctuur zijn er veel werklozen

a)

juist

b)

onjuist

18.

In een laagconjunctuur zijn de bestedingen .............

a)

hoog

b)

laag

19.

in een laagconjunctuur is de productie ......... dan in de hoog conjunctuur

a)

lager

b)

hoger

20.

door ....a..... bestedingen neemt de productie..b... en ontstaat er.....c....

a)

a= afnemende b = toe c = werkgelegenheid

b)

a= afnemende b = af c = werkgelegenheid

c)

a= afnemende b = af c = werkloosheid

d)

a= afnemende b = toe c = werkloosheid

21.

Hoe noem je alle mensen tussen 15 en 65 die werken of werk zoeken voor minimaal 12 uur per week.

a)

beroepsgeschikte bevolking

b)

beroepsbevolking

c)

niet beroepsbevolking

d)

werkenden

22.

Wanneer ben je een verborgen werkloze?

a)

Als je kort naar een baan zoekt

b)

Als je je ingeschreven hebt bij het UWV WERKbedrijf en je zoekt werk

c)

Als je je niet ingeschreven hebt bij het UWV WERKbedrijf en je zoekt werk

d)

Als je in het buitenland woont en je zoekt werk

23.

Als je net van het MBO komt, en je zoekt werk in een sector waar veel vraag naar arbeid is, waarmee krijg je dan vaak te maken?

a)

Langdurige werkloosheid

b)

Tijdelijke werkloosheid

24.

Hier staat de werkloosheid in Spanje weergegeven, welke stelling juist of onjuist is

  1. Het aantal langdurig werklozen en het aantal tijdelijk werklozen is gestegen
  2. Er zijn meer langdurig werklozen dan tijdelijk werklozen eind 2012
a)

Beide zijn juist

b)

Beide zijn onjuist

c)

1= juist, 2= onjuist

d)

1= onjuist, 2= juist

25.

Hoeveel procent is de totale werkloosheid ongeveer gestegen in Spanje tussen januari 2008 en januari 2013

a)

266.67%

b)

133.33%

c)

56.67%

d)

de werkloosheid is gedaald

26.

Als 500.000 mensen werkloos zijn en de beroepsbevolking is 5.5 miljoen mensen. Hoeveel procent van de beroepsbevolking is dan werkloos?

a)

9.1%

b)

11.1%

c)

0.1%

d)

Dat kun je niet berekenen met deze gegevens

27.

Stel dat er meer aanbod van arbeid is dan dat er vraag is naar arbeid is. Dan is er sprake van?

a)

Veel werkgelegenheid

b)

Veel werkloosheid

c)

Veel vacatures

28.

Welke van de volgende organisaties helpen werklozen niet aan het vinden van een baan

a)

de gemeente

b)

het UVW WERKbedrijf

c)

het CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek)

29.
Het gaat slecht met de economie doordat bedrijven niet investeren en consumenten niet consumeren. De werkloosheid die hierdoor ontstaat is.............
a)
Seizoenswerkloosheid
b)
Frictiewerkloosheid
c)
Conjuncturele werkloosheid
d)
Structurele werkloosheid
30.
De vraag naar arbeid komt van de?
a)
Werkgevers
b)
Werknemers
c)
Beroepsbevolking
d)
School
31.
Het aanbod van arbeid noem je ook wel de?
a)
Werkgelegenheid
b)
Beroepsbevolking
c)
Werkloosheid
d)
Arbeidsmarkt
32.
Wat gebeurt er als het aanbod van arbeid groter is dan de vraag naar arbeid?
a)
Werkgelegenheid
b)
Werkloosheid
c)
Oorlog
d)
Arbeidsparticipatie
33.
Wanneer behoor je tot de beroepsbevolking?
a)
Als je ouder dan 15 bent
b)
Als je tussen de 15-67 jaar bent
c)
Als je jonger bent dan 15
d)
Als je 80 jaar bent
34.
Ik ben op zoek naar werk, er is hier sprake van?
a)
Vraag naar arbeid
b)
Aanbod van arbeid
c)
Vraag naar product
d)
Aanbod van product
35.
Albert Heijn zoekt medewerkers en plaats een advertentie, er is hier sprake van?
a)
Werkloosheid
b)
Aanbod van arbeid
c)
Werkgelegenheid
d)
Vraag naar arbeid
36.
Niet iedereen in Nederland werkt, er is hier sprake van?
a)
Volledige werkgelegenheid
b)
Werkloosheid
c)
Oorlog
d)
Vakantie
37.

Als mensen ontslagen worden duurt het een tijdje voor ze een nieuwe baan hebben en ontstaat er ...

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

frictiewerkloosheid

d)

regionale werkloosheid

38.

Wanneer is de kans groot dat de vraag naar producten daalt?

a)

Als de btw op goederen en diensten omlaag gaat

b)

Als de mensen meer sociale premies over hun inkomen betalen

c)

Als de mensen minder belasting over hun inkomen betalen

d)

Als de prijzen dalen

39.

Het arbeidsaanbod gaat uit van ( meest exacte groep)

a)

bedrijven

b)

werkenden

c)

beroepsbevolking

d)

bevolking op arbeidsleeftijd

40.

Als machines het werk overnemen van mensen heet dat ...

a)

technologische ontwikkelingen

b)

mechanisatie

41.

Hoe heet het wanneer computers en computerprogramma's de productie aansturen?

a)

mechanisatie

b)

automatisering

c)

technologische ontwikkeling

d)

robotisering

42.

Vul het ontbrekende woord in:

Bij mechanisatie nemen ..... machines het werk over van mensen

a)

meer

b)

minder

43.

Door de mechanisatie hebben ........ mensen zwaar werk te doen

a)

meer

b)

minder

44.

Mechanisatie kan ervoor zorgen dat de productiekosten lager worden. Hoe kan dat?

a)

Er zijn minder onderdelen nodig

b)

Het werk gaat sneller

c)

het bedrijf heeft minder kosten

45.

Wat is de juiste omschrijving van automatisering?

a)

door het gebruik van computers groeit het aantal banen

b)

computers en computerprogramma's sturen de productie aan

c)

computerprogramma's sturen de mechanisatie aan

46.

Hoe hoger de arbeidsproductiviteit, hoe .....

a)

meer producten de werknemers per uur maken

b)

meer werknemers per uur werken

47.
Welk begrip herken je op de foto?
a)
Tractor
b)
Mechanisatie
c)
Automatisering
d)
Bedrijfskolom
48.

Als het lukt om meer jongeren in Nederland aan betaald werk te helpen, heeft dit invloed op de verhouding niet-actieven en actieven (de i/a-ratio) en daarmee op de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in Nederland.

De i/a-ratio wordt berekend door het aantal niet-actieven te delen door het aantal actieven.

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de twee juiste woorden te kiezen.

Door de groei van het aantal jongeren met betaald werk wordt de i/a-ratio ...(1)… (hoger / lager). Hierdoor …(2)… (daalt / stijgt) de betaalbaarheid van de sociale zekerheid in Nederland.

a)

(1) lager

b)

(1) stijgt

c)

(2) lager

d)

(2) stijgt

49.

Frits: ”Volgens mij kan het hoge aantal inactieven ook leiden tot nog meer werkloosheid.” Welke van onderstaande antwoorden is economisch helemaal juist


Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een …(1)...

(hogere / lagere) premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

…(2)… (daalt / stijgt) het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot ...(3)… (meer / minder) productie en

uiteindelijk tot …(4)… (meer / minder) werkloosheid.

a)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een

hogere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

b)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een lagere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot minder werkloosheid.

c)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een hogere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot minder productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

d)

Door het hoge aantal inactieven moet de groep actieven een lagere premie voor de sociale zekerheid betalen. Daardoor

daalt het besteedbaar inkomen van de actieven.

Vervolgens kan dit leiden tot meer productie en

uiteindelijk tot meer werkloosheid.

50.

Hieronder staan vijf economische verschijnselen:

1 Robots vervangen productiemedewerkers in Nederland.

2 De concurrentiepositie van Nederland verbetert.

3 De productiekosten dalen in Nederland.

4 De productie in Nederland groeit.

5 De vraag naar arbeid in Nederland neemt toe.

In welke regel staan de verschijnselen in een zodanige volgorde dat ze de gedachtegang van deze economen goed weergeven?

a)

1  2  3  4  5

b)

1  2  4  3  5

c)

1  3  2  4  5

d)

1  3  4  2  5

e)

1  4  2  3  5

51.

Wat is een open sollicitatie?

a)

Een vacature waarvoor je geen diploma nodig hebt.

b)

Een sollicitatieprocedure waarbij alle deelenmers voor elkaar bekend zijn.

c)

Een sollicitatie zonder specifieke vacature.

52.

Waar draait het in je motivatiebrief vooral om?

a)

Je opleidingen en werkervaring

b)

Je persoonlijkheid

c)

Je kwaliteiten en motivatie

53.

Een vacature is een:

a)

netwerk van vrienden en kennissen.

b)

open sollicitatie.

c)

baan waarop je kunt solliciteren.

d)

curriculum vitae (cv).

54.

Wat is een open sollicitatie?

a)

Een bedrijf vraagt jou om bij hen te gaan werken.

b)

Je gaat een periode werken bij een bedrijf om te kijken of je het werk leuk vindt.

c)

Je vraagt een bedrijf of ze werk voor je hebben.

d)

Je vraag hulp bij het solliciteren bij UWV WERKbedrijf.

55.

Wat is een curriculum vitae?

a)

Dat zijn de afspraken tussen werkgever en werknemer.

b)

Dat is het officiële woord voor sollicitatiebrief.

c)

Dat is de omschrijving van je functie.

d)

Dat is een overzicht van je persoonlijke gegevens, opleiding en werkervaring.

56.

Wat staat er onder andere in een arbeidsovereenkomst?

a)

Het brutoloon en je functie.

b)

De loonbelasting en de sociale premies.

c)

De straffen op zwartwerken.

d)

De werktijden en de sollicitatiebrief.

57.

Welke zinnen zijn juist?

1. Bij zwartwerken is de proeftijd even lang

als bij werken met een

arbeidsovereenkomst.

2. Bij witwerk heb je rechten, bij zwartwerk

heb je geen rechten.

3. Bij zwartwerk zijn zowel de werkgever als

de werknemer strafbaar.

4. Bij zwartwerk krijg je een

arbeidsovereenkomst.

a)

1 en 2 zijn juist.

b)

1 en 3 zijn juist.

c)

2 en 3 zijn juist.

d)

3 en 4 zijn juist.

58.

………………… betaal je geen loonbelasting en sociale premies.

Welke woorden zijn weggelaten?

a)

Als je wit werkt.

b)

Als je zwartwerkt.

c)

In de proeftijd.

d)

Bij een uitzendbureau.

59.

Wat is de goede volgorde als je werk zoekt?

1. Sollicitatiegesprek.

2. Arbeidsovereenkomst.

3. Vacature in de krant.

4. Sollicitatiebrief.

a)

1 – 2 – 3 – 4.

b)

3 – 2 – 4 – 1.

c)

3 – 4 – 1 – 2.

d)

4 – 1 – 3 – 2.

60.

Wat is het voordeel van werken via een uitzendbureau?

a)

Je kunt niet op staande voet ontslagen worden.

b)

Tussen de verschillende banen door kun je vakantie nemen.

c)

Je krijgt vaak de interessantste klusjes.

d)

Je hoeft geen belasting te betalen.

61.

Welke overheidsinstelling kijkt of je recht hebt op een WW-uitkering als je ontslagen bent?

a)

CAO

b)

AIVD

c)

NVWA

d)

UWV

62.


Julia heeft haar opleiding gehaald en mag nu gaan werken. Ze ziet op internet dat voor haar opleiding de vraag naar arbeid hoger is dan het aanbod naar arbeid.

Wat betekent dit voor Julia.

a)
Er bestaat een krappe arbeidsmarkt, dus ze maakt goede kans op de baan
b)
Er bestaat een ruime arbeidsmarkt, dus ze maakt een goede kans op de baan
c)
Er bestaat een krappe arbeidsmarkt, dus ze maakt geen kans op de baan
d)
Er bestaat een ruime arbeidsmarkt, dus de kans op een baan is klein
63.

Welke van de volgende uitspraken is/zijn juist?

I: Bij hoogconjunctuur is er vaak sprake van een ruime arbeidsmarkt.

II: Laagconjunctuur gaat vaak gepaard met conjuncturele werkloosheid.

a)

Beide uitspraken zijn juist.

b)

I is juist, II is onjuist.

c)

II is juist, I is onjuist.

d)

Beide uitspraken zijn onjuist.

64.

Perioden waarin de vraag naar arbeid lager is dan het aanbod, noemt men

a)

laagconjunctuur

b)

hoogconjunctuur

c)

seizoensarbeid

65.

Werkloosheid doordat het enige tijd kost om werk te vinden, wordt ook wel XXXX genoemd?

a)

conjuncturele werkloosheid

b)

structurele werkloosheid

c)

seizoenswerkloosheid

d)

frictiewerkloosheid

66.

Welke kenmerken passen bij een hoogconjunctuur?

a)

Werkgevers lokken personeel met hoge lonen

b)

Werkgevers lokken personeel met gunstige arbeidsvoorwaarden

c)

Er is een ruime arbeidsmarkt

d)

Er is een krappe arbeidsmarkt